ECLI:NL:HR:2021:954
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over toepassing bedrijfsopvolgingsregeling bij projectontwikkeling en verhuur
Belanghebbende erfde certificaten en aandelen in vennootschappen die zich bezighouden met projectontwikkeling en verhuur van onroerende zaken. Het Hof Amsterdam oordeelde dat de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) alleen van toepassing was op het vermogen toe te rekenen aan projectontwikkelingsactiviteiten, omdat verhuuractiviteiten niet als materiële onderneming kwalificeerden.
Het Hof baseerde dit op de arbeid-plus-toets en concludeerde dat de verhuuractiviteiten niet meer omvatten dan normaal vermogensbeheer en niet gericht waren op een hoger rendement dan gebruikelijk. Belanghebbende stelde dat de activiteiten als één onderneming moesten worden gezien en dat de vermogensetikettering onjuist was toegepast.
De Hoge Raad verwierp de klachten over het oordeel dat verhuuractiviteiten geen materiële onderneming vormen, maar vond het oordeel over de toerekening van panden onvoldoende gemotiveerd. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak voor nader onderzoek naar welke panden redelijkerwijs kunnen worden toegerekend aan projectontwikkelingsactiviteiten.
De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten en belanghebbende kreeg het betaalde griffierecht terug. De uitspraak werd gedaan door de Hoge Raad op 18 juni 2021.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen voor nader onderzoek naar de toerekening van panden aan projectontwikkelingsactiviteiten.