Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
5 juli 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin een verdachte wegens diefstal een voorwaardelijke ISD-maatregel werd opgelegd. De verdachte had een lange geschiedenis van vermogensdelicten en een eerdere ISD-maatregel, maar had recent positieve gedragsveranderingen laten zien. Het hof oordeelde dat de verdachte aan de wettelijke criteria voldeed en legde een voorwaardelijke ISD-maatregel op.
In cassatie klaagt de verdachte dat het hof niet voldoende heeft gemotiveerd dat aan alle voorwaarden van artikel 38m lid 1 Sr is voldaan, met name dat er ernstig rekening moet worden gehouden met het risico op herhaling en dat de veiligheid van personen of goederen de maatregel vereist. De Hoge Raad stelt vast dat het hof niet expliciet heeft gemotiveerd waarom deze voorwaarden zijn vervuld en dat de enkele verwijzing naar het voldoen aan wettelijke criteria onvoldoende is.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor wat betreft de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling. Het beroep wordt voor het overige verworpen. De uitspraak benadrukt het belang van een duidelijke en volledige motivering bij het opleggen van een ISD-maatregel.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de oplegging van de voorwaardelijke ISD-maatregel wegens onvoldoende motivering en wijst de zaak terug naar het hof.