ECLI:NL:HR:2022:1116
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beperking herzieningsrecht omzetbelasting bij ingebruikneming
In deze zaak stond centraal of een belastingplichtige die bij de aanschaf van een goed de omzetbelasting niet in aftrek heeft gebracht, dit alsnog kan doen bij de eerste ingebruikneming via de herzieningsregeling van artikel 15, lid 4, Wet OB. Na een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie werd geoordeeld dat het nationale recht niet toestaat dat het recht op aftrek later alsnog wordt gerealiseerd bij ingebruikneming, ook zonder misbruik of fraude.
Het hof had eerder een ruimere uitleg gegeven, maar de Hoge Raad vernietigt dit oordeel wegens een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad bevestigt dat de herzieningsregeling niet ziet op gevallen waarin het werkelijke gebruik bij ingebruikneming overeenkomt met de oorspronkelijke bestemming, maar het aftrekrecht niet direct is uitgeoefend.
Daarnaast behandelde de Hoge Raad de boetebeschikking die was opgelegd wegens niet tijdig betalen van omzetbelasting. Het hof had de boete verminderd tot 10% van het vastgestelde naheffingsbedrag, wat door de Hoge Raad werd bevestigd vanwege het pleitbare standpunt van belanghebbende over de hoogte van de naheffing.
De uitspraak van het hof wordt vernietigd behalve voor de boete en proceskosten, en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd voor de naheffingsaanslag en belastingrente. De Hoge Raad constateert een lichte overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure, maar kent geen schadevergoeding toe.
Het arrest is gewezen door de vice-president van Hilten en raadsheren Punt, Fierstra, Faase en van Eijsden op 16 september 2022.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het recht op aftrek omzetbelasting niet kan worden herzien bij ingebruikneming als dit niet tijdig is toegepast en vernietigt het arrest van het hof.