Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen een beschikking inzake belasting van personenauto's en motorrijwielen. Het hof had het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, waarbij het hof de coronapandemie als bijzondere omstandigheid aanmerkte die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigde.
De Hoge Raad oordeelt dat de coronapandemie niet zonder meer een bijzondere omstandigheid is die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt. Alleen indien partijen waren uitgenodigd voor een zitting in de periode van sluiting van gerechtsgebouwen (17 maart tot en met 10 mei 2020) en het onderzoek daardoor moest worden uitgesteld, kan sprake zijn van een bijzondere omstandigheid. In deze zaak was dat niet het geval.
Daarom heeft het hof ten onrechte de redelijke termijn verlengd. De redelijke termijn van twee jaar werd overschreden met minder dan zes maanden, waardoor belanghebbende recht heeft op een vergoeding van €500 voor immateriële schade. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Staat tot vergoeding van griffierechten en proceskosten.
De overige middelen van belanghebbende leiden niet tot vernietiging van het hofvonnis. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en op 9 september 2022 openbaar uitgesproken.