Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beslissing
13 september 2022.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld wegens diefstal en kreeg een gevangenisstraf van vijf weken, waarvan vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Onder de bijzondere voorwaarden stelde het hof dat de veroordeelde verplicht was toestemming te geven voor het raadplegen van alle door de reclassering noodzakelijk geachte referenten.
De Hoge Raad beoordeelde deze bijzondere voorwaarde aan de hand van artikel 14c lid 2 onder 14° Sr, dat stelt dat gedragsvoorwaarden voldoende precies moeten zijn en niet mogen strekken tot gedrag dat gelijkstaat aan meewerken aan ingrijpende politie-instrumenten. Tevens werd gekeken naar de samenhang met artikel 14c lid 3 Sr en artikel 6:3:14 Sv Pro, die het reclasseringstoezicht regelen.
De Hoge Raad oordeelde dat de door het hof gestelde voorwaarde onvoldoende duidelijk was. Het hof liet na te verduidelijken hoe deze voorwaarde zich verhoudt tot andere voorwaarden en bestaande toezichtmogelijkheden. Ook was onduidelijk wie de referenten zijn en met welk doel zij geraadpleegd mogen worden. Daarom voldoet deze bijzondere voorwaarde niet aan de wettelijke eisen en is deze in strijd met artikel 14c lid 2 onder 14° Sr.
De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het hof voor zover deze bijzondere voorwaarde betreft, zonder terugwijzing, en verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: De bijzondere voorwaarde inzake toestemming voor raadplegen reclasseringsreferenten is vernietigd, overige veroordeling blijft in stand.