Conclusie
1.De cassatieprocedure
2.De bewezenverklaring en bewijsvoering
Het hof: op grond van dit deel van de verklaring is het begin van de bewezenverklaarde periode bepaald op 1 juli 2018.)
5.De verklaring van de verdachte.
7.De verklaring van de verdachte.
3.Het eerste middel
Getuigenverklaring [betrokkene 1] (vader van [slachtoffer] )
zijnverklaring te betwisten. Het verzoek dient blijkens de daarop gegeven toelichting te worden begrepen als een verzoek tot het horen van een ontlastende getuige. Bij dergelijke verzoeken mag van de verdediging worden verlangd dat zij motiveert waarom het horen van de ontlastende getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 te nemen beslissing. [3] Of een verzoek tot het horen van een dergelijke getuige naar behoren is onderbouwd en of het dient te worden toegewezen, zal de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval moeten beoordelen. In cassatie gaat het bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het horen van een ontlastende getuige om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. [4]
4.Het tweede middel
faux pas. De minderjarige heeft ten overstaan van de RHC verklaard dat het de verdachte
nietgelukt is om haar vagina te betasten. Hiervan heeft de RHC gemaakt dat de verdachte de minderjarige over haar pyjama bij haar borsten, buik en vagina heeft aangeraakt maar dat het hem niet zou zijn gelukt om de broek van de minderjarige uit te trekken en haar (ontblote) vagina aan te raken. Ik kan U verzekeren dat de verdediging niet om een getuigenverhoor van de minderjarige heeft verzocht enkel met het idee om dit vervolgens te torpederen met de stelling dat de RHC haar werk niet goed heeft gedaan!
5.Het derde middel
andere instantiesworden gegeven, zulks ten onrechte aangezien de verwijzing naar “andere instanties” onvoldoende gepreciseerd is.”
an sich, maar tegen de daaraan gekoppelde aanwijzing. Die houdt in dat de veroordeelde zich bij het contactverbod houdt aan de aanwijzingen die door het openbaar ministerie, de reclassering en/of andere instanties worden gegeven. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat “[d]e bijzondere voorwaarde als bedoeld in art. 14c Sr (…) in casu in[houdt] dat “andere instanties” dan het openbaar ministerie en de reclassering aanwijzingen aan verzoeker kunnen geven.” Voor zover de steller van het middel betoogt dat het hof als bijzondere voorwaarde heeft opgelegd dat het openbaar ministerie, de reclassering en/of andere instanties aan de verdachte allerhande aanwijzingen kunnen geven die geen verband houden met het contactverbod, faalt het. Uit de formulering van het hof is duidelijk dat de aanwijzingen van de genoemde instanties betrekking dienen te hebben op het uitvoeren van het contactverbod.