Belanghebbende was door het hof veroordeeld tot twee boetes van elk 50% van de nageheven omzetbelasting over 2014 en 2015, omdat hij volgens het hof bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat hij te weinig belasting zou voldoen. Het hof baseerde dit op onder meer het zelf voeren van de administratie, het stoppen met gebrekkige documentatie zonder goede verklaring, ongeloofwaardige verklaringen tijdens de zitting en het niet inzien van de laakbaarheid van zijn handelen.
Belanghebbende voerde aan dat hij een adviseur had ingeschakeld voor de aangiften en mocht vertrouwen op diens juistheid. Het hof verwierp dit en vond dat belanghebbende onvoldoende zorg betrachtte in de samenwerking met de adviseur.
De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof onvoldoende bewijs had geleverd voor het vereiste bewustzijn van de onjuiste voldoening (voorwaardelijk opzet). Het feit dat belanghebbende had moeten inzien dat zijn administratie onvoldoende was, impliceert niet dat hij bewust de kans aanvaardde dat hij te weinig belasting zou betalen. Ook de andere omstandigheden rechtvaardigen dit oordeel niet.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het hofarrest voor zover het de boetebeschikkingen betreft en verwees de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld in de kosten van het cassatieberoep.