ECLI:NL:PHR:2024:736
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijslast en grove schuld bij vergrijpboetes omzetbelasting voor vrijgestelde prestaties
Belanghebbende, een exploitant van onroerend goed die zowel belaste als vrijgestelde prestaties verricht, kreeg naheffingsaanslagen met vergrijpboetes opgelegd wegens onterechte aftrek van voorbelasting. De boetes betroffen een art. 67f AWR-boete en een suppletieboete op grond van art. 10a(3) AWR. De Inspecteur stelde dat belanghebbende grove schuld had omdat zij wist dat voorbelasting op vrijgestelde prestaties niet aftrekbaar is, maar deze toch in aftrek bracht.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de Inspecteur in zijn bewijslast was geslaagd voor zover het ging om voorbelasting die volledig aan vrijgestelde prestaties toerekenbaar was. Het Hof vond dat een ervaren exploitant als belanghebbende haar administratie zo moet inrichten dat zij voorkomt dat zij onterecht voorbelasting aftrekt. Voor de pro-rata-aftrek op algemene kosten faalde de Inspecteur in zijn bewijslast.
Belanghebbende stelde in cassatie dat bewijs op basis van vermoedens na het arrest van 8 april 2022 niet meer volstaat. De A-G is het hier niet mee eens en legt uit dat de strenge bewijsmaatstaf ‘overtuigend aantonen’ niet uitsluit dat bewijs ontleend kan zijn aan niet ontzenuwde vermoedens, mits deze zeer sterk zijn. De Hoge Raad wordt geadviseerd het beroep ongegrond te verklaren.
De conclusie bevat een uitgebreide juridische analyse van de begrippen grove schuld en opzet, de vereisten voor bewijslevering bij bestuurlijke boetes, en de toepassing daarvan op de feiten van deze zaak. Het oordeel van het Hof dat belanghebbende grove schuld had aan het onterecht aftrekken van voorbelasting op vrijgestelde prestaties wordt als niet onbegrijpelijk beoordeeld.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de vergrijpboetes worden bevestigd voor de aan vrijgestelde prestaties toe te rekenen voorbelasting.