Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft schriftelijk haar zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op dit arrest van het Hof van Justitie. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk gereageerd.
2.Uitgangspunten in cassatie
Zij heeft bij diezelfde aangifte de omzetbelasting in aftrek gebracht die haar ter zake van de bouw in het tweede kwartaal van 2014 in rekening is gebracht (€ 9.822). Zij heeft bij die aangifte tevens de bedragen aan omzetbelasting in aftrek gebracht die haar vanaf de aanvang van de bouw (eind 2012) tot en met het eerste kwartaal van 2014 in verband met die bouw in rekening zijn gebracht (in totaal € 194.758). De aangifte resulteerde in een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting van € 173.309.
De Rechtbank heeft het ter zake van de beschikking ingestelde beroep ongegrond verklaard. Vanwege haar oordeel dat belanghebbende terecht een bedrag van € 9.822 in aftrek heeft gebracht, heeft de Rechtbank de naheffingsaanslag verminderd tot € 21.449.
In het door de Inspecteur ingestelde incidentele hoger beroep was in geschil of de hiervoor in 2.1.1 tot en met 2.1.6 omschreven (rechts)handelingen met het oog op de eigendomsoverdracht van het nieuwe gebouw aan de Stichting voor de heffing van omzetbelasting misbruik van recht vormen.
3.Beoordeling van de in het principale cassatieberoep voorgestelde middelen
Anders dan belanghebbende in haar reactie op het hiervoor in 1.2 genoemde arrest betoogt, is de termijn na afloop waarvan de inspecteur in elk geval geen gebruik meer maakt van zijn bevoegdheid tot ambtshalve vermindering of teruggaaf op de voet van artikel 65 AWR Pro, naar zijn aard niet aan te merken als een dergelijke vervaltermijn. De regeling van artikel 65 AWR Pro beoogt namelijk niet dat een noch bij de aangifte, noch tijdig via het stelsel van bezwaar en beroep uitgeoefend recht op aftrek van omzetbelasting naderhand zonder meer kan worden afgedwongen. [2] Voor zover in de beslissing van de Inspecteur al een weigering ligt besloten om ambtshalve omzetbelasting op de voet van artikel 65 AWR Pro terug te geven, heeft te gelden dat die beslissing niet een beslissing is waartegen krachtens de wet bezwaar en vervolgens beroep bij de belastingrechter is opengesteld. [3]
4.Beoordeling van de in het incidentele cassatieberoep voorgestelde middelen
5.Slotsom
6.Proceskosten
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding moet worden toegekend.