Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
6 december 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een grootschalige kinderopvangtoeslagfraude waarbij de verdachte samen met anderen valselijk aanvragen indiende bij de Belastingdienst om onterecht toeslagen te verkrijgen. Het hof stelde vast dat de verdachte en mededaders listige kunstgrepen toepasten en valse elektronische aanvragen indienden, waardoor de Belastingdienst circa €370.132 aan toeslagen ten onrechte uitkeerde.
Daarnaast werd bewezen verklaard dat de verdachte gewoontewitwassen pleegde door gedurende een lange periode geldbedragen van in totaal circa €46.800 te verwerven en voorhanden te hebben, terwijl zij wist dat deze bedragen middellijk afkomstig waren uit het misdrijf. Het hof baseerde dit op verklaringen van aanvragers, bankgegevens en doorzoekingen waarbij geldstromen naar de verdachte en haar dochter werden vastgesteld.
De Hoge Raad herhaalde de relevante jurisprudentie over de kwalificatie van witwassen, met name het onderscheid tussen onmiddellijk en middellijk afkomstig geld uit eigen misdrijf. Het hof had terecht geoordeeld dat de verdachte de gelden middellijk uit misdrijf afkomstige gelden verwierf en voorhanden had, en dat dit witwassen opleverde.
Het cassatieberoep werd grotendeels verworpen, maar de Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met negen maanden tot acht maanden en drie weken. De zaak wordt terugverwezen voor herziening van de strafoplegging.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor medeplegen kinderopvangtoeslagfraude en gewoontewitwassen, met een strafvermindering tot acht maanden en drie weken gevangenisstraf wegens termijnoverschrijding.