Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2022:1906

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2022
Publicatiedatum
19 december 2022
Zaaknummer
21/02586
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416.2 SvArt. 62 RVV 1990Art. 366 SvArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens overschrijding redelijke termijn bij verstekarrest snelheidsovertreding

In deze strafzaak stond een snelheidsovertreding centraal waarbij het gerechtshof Amsterdam de verdachte niet-ontvankelijk verklaarde in het hoger beroep. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, waarbij hij klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn bij de betekening van de verstekmededeling na het verstekarrest van het hof.

De Hoge Raad oordeelde dat de schriftuur geen klachten bevatte over de niet-ontvankelijkverklaring zelf en dat er geen gronden waren om het oordeel van het hof ambtshalve te vernietigen. De klacht over het gebrek aan voortvarendheid bij de betekening van de verstekmededeling kon daarom niet leiden tot vernietiging van het arrest.

De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie (HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5711) en concludeerde dat het cassatiemiddel tevergeefs was voorgesteld. Het beroep werd daarom verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/02586
Datum20 december 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 februari 2019, nummer 23-003043-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft F.T.C. Dölle, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat na de bij verstek gewezen uitspraak van het hof de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.
2.2
Nu de schriftuur geen klachten bevat ten aanzien van de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het door hem ingestelde hoger beroep en de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop dat oordeel ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, kan de klacht dat na het wijzen van het arrest van het hof bij de betekening van de verstekmededeling niet de nodige voortvarendheid is betracht niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof, zodat het cassatiemiddel tevergeefs is voorgesteld (vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5711).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 december 2022.