ECLI:NL:PHR:2023:785
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verjaring na niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep niet aan de orde
In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam de verdachte bij arrest van 17 februari 2014 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter van 4 maart 2013. De verdachte was veroordeeld voor belaging en kreeg een taakstraf opgelegd. De dagvaarding voor de nadere terechtzitting in hoger beroep kon niet persoonlijk aan de verdachte worden betekend, omdat hij geen bekende woon- of verblijfplaats had.
De verdachte stelde in cassatie dat het recht op vervolging was verjaard, omdat er in de zes jaar voorafgaand aan 3 februari 2022 geen daad van vervolging had plaatsgevonden. De procureur-generaal stelt echter dat dit verweer faalt, omdat geen klachten zijn geformuleerd tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof. Hierdoor is het vonnis van de politierechter op 4 maart 2013 onherroepelijk geworden.
De Hoge Raad oordeelt dat de niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep de onherroepelijkheid van het vonnis in eerste aanleg met terugwerkende kracht tot gevolg heeft. De periode van meer dan zes jaar na het arrest van het hof waarin geen vervolging plaatsvond, doet hieraan niet af. Daarom kan geen sprake zijn van verjaring van vervolging na het arrest van het hof van 17 februari 2014.
De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging van het arrest en de niet-ontvankelijkverklaring blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep blijft in stand, waardoor het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is.