Conclusie
1.Het cassatieberoep
4.Het middel
NJ2010/458 overwoog de Hoge Raad in dit verband het volgende:
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarin de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard in hoger beroep wegens een snelheidsovertreding. De kantonrechter had de verdachte veroordeeld tot een geldboete van €880 en de tenuitvoerlegging gelast van twee voorwaardelijk opgelegde boetes van elk €250.
De klacht in cassatie betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro, doordat de verstekmededeling niet met de nodige voortvarendheid was betekend. Uit de stukken bleek dat de dagvaarding niet persoonlijk was betekend, de verdachte niet op de terechtzitting verscheen, en de mededeling van het arrest pas ruim zestien maanden na de uitspraak aan de verdachte werd betekend.
De Hoge Raad bevestigt dat het openbaar ministerie gehouden is de verstekmededeling zo spoedig mogelijk te betekenen. De overschrijding van de redelijke termijn is dan ook terecht vastgesteld. Echter, gezien de geringe strafmaat (geldboete onder €1000) en de jurisprudentie dat in dergelijke gevallen geen strafvermindering hoeft plaats te vinden, leidt dit niet tot cassatie. De tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde boetes blijft buiten beschouwing.
De conclusie van de procureur-generaal is dan ook dat het cassatieberoep moet worden verworpen, waarbij de overschrijding van de redelijke termijn wordt erkend maar zonder gevolgen voor de opgelegde straf.
Uitkomst: De Hoge Raad erkent overschrijding van de redelijke termijn maar wijst het cassatieberoep af vanwege de geringe geldboete.