Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Waar het in deze zaak om gaat
3.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
vordering op[C] BV op 6 juli 2008 ad € 1.945.246 naar een
schuld aan[C] BV op 6 juli 2009 ad € 515.189. (...) Deze mutaties worden door het hof bezien vanuit de kennis en wetenschap ten tijde van de mutatie, niet ten tijde van de (met terugwerkende kracht aangebrachte) boekingsdatum.
andere(rechts)personen. Dat is niet anders als het concernvennootschappen betreft, nu van een fiscale eenheid voor de Loonheffing geen sprake is - de wet voorzag daar niet in. Alsdan heeft verdachte niet (aan de curator, maar ook niet aan het hof) onderbouwd waarom hij de vordering van [B] BV op [C] BV met (afgerond) € 268.000 heeft laten verminderen.
andere) schulden aan
andereconcernvennootschappen. In totaal is daarmee, op 6 en 8 mei 2009, de vordering van [B] BV op [C] BV met € 1.466.727 verminderd.
onderlingevorderingen en schulden zeer wel mogelijk is (de wederzijdse vorderingen gaan tot hun gemeenschappelijk beloop teniet). Zo kan [B] BV vorderingen op en schulden aan [C] BV met elkaar verrekenen. In een (iedere) R/C-verhouding (dus ook met [C] BV) gebeurt dit (voortdurend). Het karakter van een R/C verhouding brengt met zich dat vorderingen en schulden na iedere boeking met elkaar verrekend worden, tot steeds één resterende schuld dan wel vordering resteert.
andereconcernvennootschappen. Het is een soort driehoeks-saldering. Dat is niet de
verrekeningzoals geregeld in art. 6:127 BW Pro. De in de financiële administratie gehanteerde term ‘verrekening’ is dan ook onjuist. De werkelijke rechtsverhouding (indien al aanwezig) voor deze driehoeks-saldering (cessie, schuldvernieuwing, of anderszins) is onduidelijk gebleven. Overeenkomsten op basis waarvan de betrokken concernvennootschappen hun vorderingen deels prijsgeven ontbreken.
schuldvan [B] BV aan [C] BV van € 515.189. Met de onterechte boeking van € 1.734.000 (naast de niet (meer) ter discussie staande overige correcties) is niet alleen de vordering geheel verdwenen, maar er is zelfs een vordering van [C] op [B] BV ontstaan. Met de verdediging is het hof van oordeel dat aan deze vordering van [C] BV op [B] BV van € 515.189 na het faillissement eigenlijk geen waarde kan worden toegedicht. Het verweer dat het benadelingsbedrag verminderd moet worden met de resterende schuld van ongeveer een half miljoen euro aan [C] BV (die niet betaald kon worden door [B] BV) treft daarom doel. De benadeling van schuldeisers ten gevolge van het handelen van verdachte is daarmee maximaal € 1.734.000-€ 515.189 = € 1.218.811 (nog afgezien van het nadeel van € 26.287 als gevolg van de overdracht van kantoorinventaris en inrichting garage).
4.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
5.Beslissing
22 maart 2022.