4.2Het hof heeft ten aanzien van het in het middel genoemde bestanddeel het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
“Overboekingen naar [B] (1 januari 2008 tot en met 31 december 2008)
Een onderzoek naar de bankafschriften van [A] toont aan dat de vennootschap in 2008 een totaalbedrag van € 1.779.835,17 aan [B] heeft overgeboekt. Het totale bedrag op de aangetroffen facturen afkomstig van [B] dan wel [C] is € 197.653,54. Er bestaat een verschil van € 1.582.181,63 tussen de overboekingen en de factuurbedragen, terwijl het dossier daarvoor geen verklaring biedt.
Het hof beantwoordt de vraag of de verdachte door het doen van de overboekingen in 2008 voor zover daar geen facturen aan ten grondslag lagen het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van [A] , ontkennend. Volgens de brief van de SGR aan [A] van 4 september 2008 verkeerde de vennootschap in 2008 weliswaar in een penibele situatie, maar daarmee is niet komen vast te staan dat de verdachte in dat jaar het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de verkorting van de rechten van schuldeisers. Er was nog geen sprake van betalingsproblemen of een dreigend faillissement bij [A] . In 2008 kon [A] aan zijn verplichtingen tegenover onder meer personen die een reis hadden geboekt, voldoen.
In de brief van 4 september 2008 van de SGR zijn de voorwaarden gesteld dat de door [J] B.V. verstrekte lening van € 625.000 werd achtergesteld en dat een kopie van een rechtsgeldig ondertekende leningsovereenkomst tussen [J] B.V. en [A] werd verstrekt. Deze voorwaarden zijn gesteld om de financiële situatie van [A] te versterken en omdat financiële middelen nodig waren om onder de garantieregeling te kunnen blijven vallen. In de brief is ook vermeld dat sprake is van een sterke groei van de omzet. Dit duidt er op dat, mits aan de gestelde voorwaarden werd voldaan, de garantieregeling van kracht bleef. Uit de inhoud van de brief van de SGR kan daarom niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte en [medeverdachte] door de overboekingen in 2008 ten laste van [A] , waar geen facturen aan ten grondslag lagen, (voorwaardelijk) opzet hebben gehad op het verkorten van de rechten van schuldeisers. Het hof zal de verdachte om die reden vrijspreken van het primair tenlastegelegde, voor zover dat ziet op de overboekingen van [A] naar [B] in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008.
Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de verdachte en [medeverdachte] voldoende adequate maatregelen hebben getroffen om de gang van zaken, die in september 2008 voor de SGR aanleiding was om voorwaarden te stellen, te verbeteren. Gelet op voormelde brief van de SGR hadden de verdachte en [medeverdachte] zich moeten realiseren dat bij het voortduren van hoge overboekingen aan andere vennootschappen zonder dat hier een reden aan ten grondslag lag die in het belang was van [A] , de liquiditeitspositie verder zou verslechteren. Een logisch gevolg daarvan was dat [A] in de (nabije) toekomst niet aan haar betalingsverplichtingen zou kunnen voldoen.
Overboekingen naar [B] (1 januari 2009 tot en met 8 september 2009)
De FIOD heeft op basis van de aanwezige administratie van [A] , waaronder de grootboekadministratie, bankafschriften en facturen, een overzicht gemaakt van de overboekingen van [A] aan [B] in 2009. [A] heeft blijkens dat overzicht minimaal € 2.534.500,00 aan [B] overgeboekt in de periode van 1 januari 2009 tot en met 8 september 2009. Het totaalbedrag dat [A] op basis van de aangetroffen facturen aan [B] diende te betalen betrof € 18.928,41. Dat betekent dat het verschil tussen het totaalbedrag van de overboekingen en het totaalbedrag aan facturen € 2.515.571,59 bedraagt.
Doorslaggevend is dat in 2009 grote geldbedragen aan de boedel van [A] zijn onttrokken zonder dat enige terugbetalingsverplichting aan de zijde van de ontvanger is vastgelegd, terwijl uit de brief van de SGR van 4 september 2008 al was gebleken dat op dat moment al sprake was van een penibele financiële situatie. [medeverdachte] en de verdachte wisten dus in ieder geval vanaf het begin van 2009 dat bij het doen van dergelijke betalingen een faillissement van [A] onafwendbaar was. Zij wisten dat door deze overboekingen tijdige betalingen voor vluchten en verblijf in Turkije ten behoeve van geboekte vakanties niet konden worden gedaan omdat de benodigde liquiditeiten er niet meer waren. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat zij door voormelde overboekingen de rechten van de schuldeisers van [A] opzettelijk bedrieglijk hebben verkort.
Overboekingen naar [D] (28 juli 2009 tot en met 4 augustus 2009)
In de week voor de melding van betalingsonmacht van [A] aan de SGR op 4 augustus 2009, heeft [A] in totaal € 393.500,00 aan [D] overgeboekt. Een gedeelte van dit bedrag, namelijk € 56.500,00, is op dezelfde dag als de melding aan [D] overgeboekt. De administratie van [A] over het jaar 2009 bevat geen enkele factuur of andere vorm van onderbouwing op basis waarvan de overgeboekte gelden kunnen worden verklaard. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de overboekingen aan [B] in 2009, is het hof van oordeel dat de verdachte ten tijde van de overboekingen aan [D] in juli en augustus 2009 wist dat een faillissement van [A] onafwendbaar was.
De [medeverdachte] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat de geldbedragen via [D] zijn overgeboekt naar [betrokkene 3] , de
incoming agentwaarmee [A] een samenwerking had ten behoeve van het zomerseizoen 2009, teneinde [A] te redden. Volgens de verdediging moeten die betalingen worden beschouwd als een reddingspoging van [A] . Het hof is echter van oordeel dat de overboekingen, vlak voor de melding van de betalingsproblemen, tot gevolg hebben gehad dat [betrokkene 3] - via [D] - is betaald en daardoor als schuldeiser van [A] is bevoordeeld ten opzichte van andere schuldeisers.
Voor zover de verdediging heeft betoogd dat uit het accountantsrapport van [betrokkene 5] + [betrokkene 6] van 2 september 2009 blijkt dat het in 2009 financieel goed ging met [A] , overweegt het hof dat uit datzelfde onderzoek blijkt dat de gegenereerde omzet ook werd uitgegeven. Het saldo van de liquide middelen was in verhouding tot de gerealiseerde omzet (te) laag. De rapporteurs komen daarom tot de conclusie dat de betalingen zoals verricht in 2009 een beslag op de liquiditeit van [A] hebben gelegd wat de vennootschap niet kon dragen. Gelet daarop wordt het verweer verworpen.
Het hof stelt voorop dat uit artikel 10, lid 1, boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon moeten kunnen worden gekend. Het is voor de afwikkeling van het faillissement van groot belang dat de curator beschikt over de volledige administratie van de failliet en dat hij antwoord krijgt op zijn vragen. Zonder adequate informatie en medewerking kan de boedel niet worden verdeeld en worden schuldeisers benadeeld. Vastgesteld moet worden dat een ontoereikende administratie werd gevoerd, dat de verdachte zich daarvan bewust was, dat dit alles uiteindelijk ook is gepaard gegaan met het besef dat de aanmerkelijke kans bestond dat de schuldeisers door het ontbreken van een voldoende administratie uiteindelijk benadeeld zouden worden, en dat een faillissement is gevolgd.
Na de melding van betalingsonmacht door [A] aan de SGR op 4 augustus 2009 is een werknemer van de SGR direct naar het kantoor van [A] gegaan, maar trof daar een leeg kantoor aan. Later is gebleken dat de administratie - op verzoek van [medeverdachte] - één dag voor de melding door de toenmalige schoonvader van [medeverdachte] uit het kantoor aan [a-straat] te [plaats] is weggehaald. Uit het onderzoek naar de administratie van [A] door de SGR, de curator en de FIOD, is gebleken dat de administratie niet deugdelijk dan wel onvolledig was.
Zoals eerder hierboven aan de orde is gekomen, hebben girale geldstromen vanuit [A] plaatsgevonden die slechts voor een klein deel zijn gebaseerd op facturen. Uit de verklaringen van de verdachte, [medeverdachte] en verschillende getuigen komt naar voren dat ook contante betalingen aan [A] zijn verricht. Die contante betalingen zijn echter niet inzichtelijk gemaakt, waardoor niet duidelijk is door wie welke bedragen zijn betaald en wat er met de contante geldbedragen is gebeurd. De overboekingen van grote bedragen naar Turkije hebben tot gevolg gehad dat de verdachte en [medeverdachte] geen inzicht hadden in de omvang van de liquide middelen van [A] en daardoor moeten zij zich er van bewust geweest zijn dat de administratie niet toereikend was en schuldeisers daardoor uiteindelijk benadeeld konden worden.
Na het faillissement van [A] in 2009 heeft de curator via de SGR de beschikking gekregen over een deel van de administratie van de vennootschap. Omdat de administratie niet compleet bij de curator is aangeleverd, heeft de curator meermalen aan [medeverdachte] verzocht ontbrekende stukken, zoals de complete grootboekadministratie en boekingsstukken op basis waarvan diverse overboekingen zouden zijn verricht, te overleggen. Niet is gebleken dat aan dit verzoek is voldaan.
De curator heeft [medeverdachte] op 8 februari 2013 in een brief nogmaals verzocht ontbrekende stukken aan hem te doen toekomen. [medeverdachte] heeft daarop gereageerd dat hij niet meer over stukken beschikte en dat de stukken konden worden opgevraagd bij het accountantskantoor [K] , de Kamer van Koophandel, de Belastingdienst en [J] . De verdachte en [medeverdachte] waren als bestuurders ertoe gehouden de volledige administratie zelf bij de curator aan te leveren en mochten niet volstaan met een verwijzing naar derden om aldaar de ontbrekende stukken op te vragen. Doordat de curator niet over een volledige administratie beschikte, was het voor hem niet mogelijk om de baten en schulden van [A] vast te stellen, waardoor niet inzichtelijk kon worden gemaakt wat de verhaalsrechten en -mogelijkheden van de schuldeisers waren.
De boekhoudster van [A] , [betrokkene 7] , heeft in overleg met de curator een Excel-document samengesteld waarin de boekhouding van de vennootschap is gedigitaliseerd middels een grootboekkaart van 2009. Dat de administratie pas na een verzoek daartoe op orde is geprobeerd te brengen, geeft ervan blijk dat de administratie niet deugdelijk was en niet te allen tijde de rechten en plichten van de vennootschap konden worden gekend. De verdachte en [medeverdachte] waren als bestuurders van [A] verantwoordelijk voor het voeren en het regelmatig controleren van een deugdelijke boekhouding. Een (langdurig) verblijf in het buitenland ontslaat de verdachte als bestuurder niet van zijn administratieplicht. Het viel onder zijn verantwoordelijkheid om gedurende zijn fysieke afwezigheid in Nederland ervoor te zorgen dat aan die verplichting zou worden voldaan, bijvoorbeeld door de administratieve taken aan anderen te delegeren, zich daarover te laten informeren en daarop te (blijven) toezien.
Doordat de verdachte en [medeverdachte] niet aan hun administratieplicht hebben voldaan, noch de volledige administratie van [A] hebben bewaard, tevoorschijn gehaald en - ondanks meerdere Verzoeken hiertoe - aan de curator hebben overgelegd, hebben zij de rechten van de schuldeisers van [A] bedrieglijk verkort.”
Het juridisch kader