3.3Het bestreden arrest houdt – voor zover hier relevant – het volgende in (met weglating van voetnoten):
“Overboekingen naar [B] (1 januari 2008 tot en met 31 december 2008)
Een onderzoek naar de bankafschriften van [A] toont aan dat de vennootschap in 2008 een totaalbedrag van € 1.779.835,17 aan [B] heeft overgeboekt. Het totale bedrag op de aangetroffen facturen afkomstig van [B] dan wel [F] is € 197.653,54. Er bestaat een verschil van € 1.582.181,63 tussen de overboekingen en de factuurbedragen, terwijl het dossier daarvoor geen verklaring biedt.
Het hof beantwoordt de vraag of de verdachte door het doen van de overboekingen in 2008 voor zover daar geen facturen aan ten grondslag lagen het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van [A] , ontkennend. Volgens de brief van de SGR aan [A] van 4 september 2008 verkeerde de vennootschap in 2008 weliswaar in een penibele situatie, maar daarmee is niet komen vast te staan dat de verdachte in dat jaar het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de verkorting van de rechten van schuldeisers. Er was nog geen sprake van betalingsproblemen of een dreigend faillissement bij [A] . In 2008 kon [A] aan zijn verplichtingen tegenover onder meer personen die een reis hadden geboekt, voldoen.
In de brief van 4 september 2008 van de SGR zijn de voorwaarden gesteld dat de door [G] B.V. verstrekte lening van € 625.000 werd achtergesteld en dat een kopie van een rechtsgeldig ondertekende leningsovereenkomst tussen [G] B.V. en [A] werd verstrekt. Deze voorwaarden zijn gesteld om de financiële situatie van [A] te versterken en omdat financiële middelen nodig waren om onder de garantieregeling te kunnen blijven vallen. In de brief is ook vermeld dat sprake is van een sterke groei van de omzet. Dit duidt er op dat, mits aan de gestelde voorwaarden werd voldaan, de garantieregeling van kracht bleef. Uit de inhoud van de brief van de SGR kan daarom niet zonder meer worden afgeleid dat [medeverdachte] en de verdachte door de overboekingen in 2008 ten laste van [A] , waar geen facturen aan ten grondslag lagen, (voorwaardelijk) opzet hebben gehad op het verkorten van de rechten van schuldeisers. Het hof zal de verdachte om die reden vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde, voor zover dat ziet op de overboekingen van [A] naar [B] in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008.
Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat [medeverdachte] en de verdachte voldoende adequate maatregelen hebben getroffen om de gang van zaken, die in september 2008 voor de SGR aanleiding was om voorwaarden te stellen, te verbeteren. Gelet op voormelde brief van de SGR hadden [medeverdachte] en de verdachte zich, moeten realiseren dat, bij het voortduren van hoge overboekingen aan andere vennootschappen zonder dat hier een reden aan ten grondslag lag die in het belang was van [A] , de liquiditeitspositie verder zou verslechteren. Een logisch gevolg daarvan was dat [A] in de (nabije) toekomst niet aan haar betalingsverplichtingen zou kunnen voldoen.
Overboekingen naar [B] (1 januari 2009 tot en met 8 september 2009)
De FIOD heeft op basis van de aanwezige administratie van [A] , waaronder de grootboekadministratie, bankafschriften en facturen, een overzicht gemaakt van de overboekingen van [A] aan [B] in 2009. [A] heeft blijkens dat overzicht minimaal € 2.534.500,00 aan [B] overgeboekt in de periode van 1 januari 2009 tot en met 8 september 2009. Het totaalbedrag dat [A] op basis van de aangetroffen facturen aan [B] diende te betalen betrof € 18.928,41. Dat betekent dat het verschil tussen het totaalbedrag van de overboekingen en het totaalbedrag aan facturen € 2.515.571,59 bedraagt.
Ten aanzien van het verweer van de raadsvrouw met betrekking tot het doen van de betalingen aan [B] door [A] ter verrekening van haar schulden aan [G] , overweegt het hof dat het verweer geen enkele steun in het dossier vindt. Uit de stukken blijkt evenmin van een overeengekomen terugbetalingsverplichting of van terugbetaling door [B] van de in 2008 overgeboekte bedragen. Of de verdachte ervan op de hoogte was dat het [F] verlies draaide, doet niet ter zake. Doorslaggevend is dat in 2009 grote geldbedragen aan de boedel van [A] zijn onttrokken zonder dat enige terugbetalingsverplichting aan de zijde van de ontvanger is vastgelegd, terwijl uit de brief van de SGR van 4 september 2008 al was gebleken dat op dat moment al sprake was van een penibele financiële situatie. De verdachte en [medeverdachte] wisten dus in ieder geval vanaf het begin van 2009 dat bij het doen van dergelijke betalingen een faillissement van [A] onafwendbaar was. Zij wisten dat door deze overboekingen tijdige betalingen voor vluchten en verblijf in Turkije ten behoeve van geboekte vakanties niet konden worden gedaan omdat de benodigde liquiditeiten er niet meer waren. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat zij door voormelde overboekingen de rechten van de schuldeisers van [A] opzettelijk bedrieglijk hebben verkort.
Overboekingen naar [C] (28juli 2009 tol en met 4 augustus 2009)
In de week voor de melding van betalingsonmacht van [A] aan de SGR op 4 augustus 2009, heeft [A] in totaal € 393.500,00 aan [C] overgeboekt. Een gedeelte van dit bedrag, namelijk € 56.500,00, is op dezelfde dag als de melding aan [C] overgeboekt. De administratie van [A] over het jaar 2009 bevat geen enkele factuur of andere vorm van onderbouwing op basis waarvan de overgeboekte gelden kunnen worden verklaard. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de overboekingen aan [B] in 2009, is het hof van oordeel dat de verdachte ten tijde van de overboekingen aan [C] in juli en augustus 2009 wist dat een faillissement van [A] onafwendbaar was.
De verdachte heeft aangevoerd dat hij niet op de hoogte was van deze overboekingen naar [C] en dat deze overboekingen buiten zijn wetenschap zijn verricht door een medewerker van [A] , genaamd [betrokkene 1] . Het hof stelt deze verklaring als ongeloofwaardig terzijde. De verdachte was, evenals [medeverdachte] , mede eigenaar van [C] en ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij verklaard dat hij wist dat geld werd overgemaakt naar [C] . De verdachte was als een van de bestuurders verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van [A] . Verder heeft [betrokkene 1] verklaard dat hij in 2008 bedragen heeft overgemaakt naar [C] maar dat dit altijd in opdracht was van de verdachte, hij heeft ontkend de overboekingen in 2009 te hebben verricht en hij meent dat dit op directieniveau moet zijn beslist.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat de geldbedragen via [C] zijn overgeboekt naar [betrokkene 2] , de incoming agent waarmee [A] een samenwerking had ten behoeve van het zomerseizoen 2009, teneinde [A] te redden. Volgens de verdachte zou [betrokkene 2] geen reizigers meer ophalen als niet zou worden betaald.
Volgens de verdediging moeten die betalingen worden beschouwd als een reddingspoging van [A] . Het hof is echter van oordeel dat de overboekingen, vlak voor de melding van de betalingsproblemen, tot gevolg hebben gehad dat [betrokkene 2] - via [C] - is betaald en daardoor als schuldeiser van [A] is bevoordeeld ten opzichte van andere schuldeisers.
Dat de verdachte, zoals hij heeft verklaard, geld heeft geleend van derden en heeft overgemaakt naar de rekening van [A] en er alles aan heeft gedaan om het faillissement te voorkomen, doet niets af aan voormelde onttrekkingen uit de boedel en het benadelen van andere schuldeisers.
De vraag of de verdachte al dan niet voordeel heeft genoten van de overboekingen aan [B] en [C] , is evenmin relevant voor de beantwoording van de vraag of hij zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair tenlastegelegde en behoeft daarom geen verdere bespreking.
Het juridisch kader