ECLI:NL:PHR:2025:1117

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
13 oktober 2025
Zaaknummer
24/00750
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Faillissementsfraude en valsheid in geschrift door bestuurder van failliete rechtspersoon

In deze zaak is de verdachte, geboren in 1969, als bestuurder van het failliete reisbureau [A] B.V. aangeklaagd voor faillissementsfraude en valsheid in geschrift. De verdachte is bij arrest van 20 februari 2024 door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden. De zaak betreft de periode van 1 januari 2009 tot en met 11 februari 2013, waarin de verdachte en zijn medeverdachte aanzienlijke bedragen van de failliete vennootschap hebben onttrokken aan de boedel, terwijl zij wisten dat het faillissement onafwendbaar was. De verdachte heeft in totaal bijna € 3.000.000,00 aan de boedel onttrokken en een schuldeiser bevoordeeld ten opzichte van andere schuldeisers. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen ten aanzien van het voeren van een administratie, wat heeft geleid tot benadeling van de schuldeisers. De verdachte heeft cassatieberoep ingesteld, maar de Procureur-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is van belang voor de uitleg van de artikelen 343 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, met betrekking tot faillissementsfraude en valsheid in geschrift.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00750
Zitting14 oktober 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 20 februari 2024 door het gerechtshof Amsterdam [1] wegens:
1. primair “medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon die in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon, enig goed aan de boedel onttrekken en op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een van de schuldeisers op enige wijze bevoordelen en niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge de in artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld” en
2. “opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 24/00765 van de [medeverdachte] . In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.

2.De zaak in het kort

2.1
Uit de vaststellingen van het hof komt het volgende naar voren. Op 8 juni 2005 is door de verdachte en [medeverdachte] het reisbureau [A] B.V. (hierna: [A] ) opgericht. De verdachte is sinds die datum bestuurder en enig aandeelhouder van de vennootschap. [medeverdachte] is (feitelijk) medebestuurder.
2.2
[A] heeft op 4 september 2008 van Stichting Garantiefonds Reisgelden (hierna: SGR) een brief ontvangen waarin is medegedeeld dat de vennootschap in een financieel penibele situatie verkeerde. Een jaar later, op 4 augustus 2009, heeft [A] aan SGR een e-mail gestuurd waarin het financieel onvermogen van de vennootschap wordt gemeld. De rechtbank heeft [A] vervolgens op 8 september 2009 failliet verklaard en een curator benoemd.
2.3
Op 29 augustus 2011 heeft de curator aangifte gedaan van faillissementsfraude. Volgens de curator heeft [A] een incomplete administratie overgelegd. Daarnaast is uit onderzoek van het SGR gebleken dat [A] in 2008 en 2009 een totaalbedrag van ongeveer 1,8 miljoen respectievelijk 2,5 miljoen euro heeft overgeboekt naar de Turkse vennootschap [B] , waarvan [medeverdachte] mede-eigenaar was. Ook heeft [A] in juli en augustus 2009 – (dus) (zeer) kort voor voornoemde melding van 4 augustus 2009 – een totaalbedrag van € 393.500,00 overgeboekt aan de Turkse vennootschap [C] . Die vennootschap had de verdachte samen met onder andere [medeverdachte] opgericht..

3.Het eerste middel

3.1
Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring van feit 1 en klaagt dat uit de bewijsvoering “onvoldoende kan worden afgeleid dat de verdachte met opzet en op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen heeft gehandeld.”
3.2
Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte onder 1 primair bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2009 tot en met 11 februari 2013 in Nederland, als bestuurder van
[A] B.V. (tevens handelend onder de naam [D] en [E] ), een rechtspersoon welke bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 8 september 2009 in staat van faillissement is verklaard, tezamen en in vereniging met een ander, telkens ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van [A] B.V.,
A. gelden aan de boedel van genoemde rechtspersoon heeft onttrokken; en
C. op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een van de
schuldeisers op enige wijze heeft bevoordeeld; en
D. niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een
administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld,
immers hebben verdachte en zijn mededader
(ten aanzien van A/C).
in de periode van 28 juli 2009 tot en met 4 augustus 2009, voorafgaand aan het faillissement, door
middel van betalingen, in totaal ongeveer 393.500 euro van de bankrekening van [A] B.V. overgemaakt aan [C] , zijnde een onderneming naar Turks recht, zonder dat hier dekkende facturen of goederen of diensten of een rechtsgeldige overeenkomst tegenover stond(en) in de periode van 1 januari 2009 tot en met 8 september 2009, voorafgaande aan het faillissement, door middel van betalingen, in totaal 2.515.517,59 euro van de bankrekening van [A] B.V. overgemaakt aan [B] (hierna: [B] ), zijnde een onderneming naar Turks recht, zonder dat hier dekkende facturen of goederen of diensten of een rechtsgeldige overeenkomst tegenover stond(en)
(ten aanzien van D)
geen volledige administratie overgelegd van [A] B.V.”
3.3
Het bestreden arrest houdt – voor zover hier relevant – het volgende in (met weglating van voetnoten):
“Overboekingen naar [B] (1 januari 2008 tot en met 31 december 2008)
Een onderzoek naar de bankafschriften van [A] toont aan dat de vennootschap in 2008 een totaalbedrag van € 1.779.835,17 aan [B] heeft overgeboekt. Het totale bedrag op de aangetroffen facturen afkomstig van [B] dan wel [F] is € 197.653,54. Er bestaat een verschil van € 1.582.181,63 tussen de overboekingen en de factuurbedragen, terwijl het dossier daarvoor geen verklaring biedt.
Het hof beantwoordt de vraag of de verdachte door het doen van de overboekingen in 2008 voor zover daar geen facturen aan ten grondslag lagen het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van [A] , ontkennend. Volgens de brief van de SGR aan [A] van 4 september 2008 verkeerde de vennootschap in 2008 weliswaar in een penibele situatie, maar daarmee is niet komen vast te staan dat de verdachte in dat jaar het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de verkorting van de rechten van schuldeisers. Er was nog geen sprake van betalingsproblemen of een dreigend faillissement bij [A] . In 2008 kon [A] aan zijn verplichtingen tegenover onder meer personen die een reis hadden geboekt, voldoen.
In de brief van 4 september 2008 van de SGR zijn de voorwaarden gesteld dat de door [G] B.V. verstrekte lening van € 625.000 werd achtergesteld en dat een kopie van een rechtsgeldig ondertekende leningsovereenkomst tussen [G] B.V. en [A] werd verstrekt. Deze voorwaarden zijn gesteld om de financiële situatie van [A] te versterken en omdat financiële middelen nodig waren om onder de garantieregeling te kunnen blijven vallen. In de brief is ook vermeld dat sprake is van een sterke groei van de omzet. Dit duidt er op dat, mits aan de gestelde voorwaarden werd voldaan, de garantieregeling van kracht bleef. Uit de inhoud van de brief van de SGR kan daarom niet zonder meer worden afgeleid dat [medeverdachte] en de verdachte door de overboekingen in 2008 ten laste van [A] , waar geen facturen aan ten grondslag lagen, (voorwaardelijk) opzet hebben gehad op het verkorten van de rechten van schuldeisers. Het hof zal de verdachte om die reden vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde, voor zover dat ziet op de overboekingen van [A] naar [B] in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008.
Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat [medeverdachte] en de verdachte voldoende adequate maatregelen hebben getroffen om de gang van zaken, die in september 2008 voor de SGR aanleiding was om voorwaarden te stellen, te verbeteren. Gelet op voormelde brief van de SGR hadden [medeverdachte] en de verdachte zich, moeten realiseren dat, bij het voortduren van hoge overboekingen aan andere vennootschappen zonder dat hier een reden aan ten grondslag lag die in het belang was van [A] , de liquiditeitspositie verder zou verslechteren. Een logisch gevolg daarvan was dat [A] in de (nabije) toekomst niet aan haar betalingsverplichtingen zou kunnen voldoen.
Overboekingen naar [B] (1 januari 2009 tot en met 8 september 2009)
De FIOD heeft op basis van de aanwezige administratie van [A] , waaronder de grootboekadministratie, bankafschriften en facturen, een overzicht gemaakt van de overboekingen van [A] aan [B] in 2009. [A] heeft blijkens dat overzicht minimaal € 2.534.500,00 aan [B] overgeboekt in de periode van 1 januari 2009 tot en met 8 september 2009. Het totaalbedrag dat [A] op basis van de aangetroffen facturen aan [B] diende te betalen betrof € 18.928,41. Dat betekent dat het verschil tussen het totaalbedrag van de overboekingen en het totaalbedrag aan facturen € 2.515.571,59 bedraagt.
Ten aanzien van het verweer van de raadsvrouw met betrekking tot het doen van de betalingen aan [B] door [A] ter verrekening van haar schulden aan [G] , overweegt het hof dat het verweer geen enkele steun in het dossier vindt. Uit de stukken blijkt evenmin van een overeengekomen terugbetalingsverplichting of van terugbetaling door [B] van de in 2008 overgeboekte bedragen. Of de verdachte ervan op de hoogte was dat het [F] verlies draaide, doet niet ter zake. Doorslaggevend is dat in 2009 grote geldbedragen aan de boedel van [A] zijn onttrokken zonder dat enige terugbetalingsverplichting aan de zijde van de ontvanger is vastgelegd, terwijl uit de brief van de SGR van 4 september 2008 al was gebleken dat op dat moment al sprake was van een penibele financiële situatie. De verdachte en [medeverdachte] wisten dus in ieder geval vanaf het begin van 2009 dat bij het doen van dergelijke betalingen een faillissement van [A] onafwendbaar was. Zij wisten dat door deze overboekingen tijdige betalingen voor vluchten en verblijf in Turkije ten behoeve van geboekte vakanties niet konden worden gedaan omdat de benodigde liquiditeiten er niet meer waren. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat zij door voormelde overboekingen de rechten van de schuldeisers van [A] opzettelijk bedrieglijk hebben verkort.
Overboekingen naar [C] (28juli 2009 tol en met 4 augustus 2009)
In de week voor de melding van betalingsonmacht van [A] aan de SGR op 4 augustus 2009, heeft [A] in totaal € 393.500,00 aan [C] overgeboekt. Een gedeelte van dit bedrag, namelijk € 56.500,00, is op dezelfde dag als de melding aan [C] overgeboekt. De administratie van [A] over het jaar 2009 bevat geen enkele factuur of andere vorm van onderbouwing op basis waarvan de overgeboekte gelden kunnen worden verklaard. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de overboekingen aan [B] in 2009, is het hof van oordeel dat de verdachte ten tijde van de overboekingen aan [C] in juli en augustus 2009 wist dat een faillissement van [A] onafwendbaar was.
De verdachte heeft aangevoerd dat hij niet op de hoogte was van deze overboekingen naar [C] en dat deze overboekingen buiten zijn wetenschap zijn verricht door een medewerker van [A] , genaamd [betrokkene 1] . Het hof stelt deze verklaring als ongeloofwaardig terzijde. De verdachte was, evenals [medeverdachte] , mede eigenaar van [C] en ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij verklaard dat hij wist dat geld werd overgemaakt naar [C] . De verdachte was als een van de bestuurders verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van [A] . Verder heeft [betrokkene 1] verklaard dat hij in 2008 bedragen heeft overgemaakt naar [C] maar dat dit altijd in opdracht was van de verdachte, hij heeft ontkend de overboekingen in 2009 te hebben verricht en hij meent dat dit op directieniveau moet zijn beslist.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat de geldbedragen via [C] zijn overgeboekt naar [betrokkene 2] , de incoming agent waarmee [A] een samenwerking had ten behoeve van het zomerseizoen 2009, teneinde [A] te redden. Volgens de verdachte zou [betrokkene 2] geen reizigers meer ophalen als niet zou worden betaald.
Volgens de verdediging moeten die betalingen worden beschouwd als een reddingspoging van [A] . Het hof is echter van oordeel dat de overboekingen, vlak voor de melding van de betalingsproblemen, tot gevolg hebben gehad dat [betrokkene 2] - via [C] - is betaald en daardoor als schuldeiser van [A] is bevoordeeld ten opzichte van andere schuldeisers.
Dat de verdachte, zoals hij heeft verklaard, geld heeft geleend van derden en heeft overgemaakt naar de rekening van [A] en er alles aan heeft gedaan om het faillissement te voorkomen, doet niets af aan voormelde onttrekkingen uit de boedel en het benadelen van andere schuldeisers.
De vraag of de verdachte al dan niet voordeel heeft genoten van de overboekingen aan [B] en [C] , is evenmin relevant voor de beantwoording van de vraag of hij zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair tenlastegelegde en behoeft daarom geen verdere bespreking.
Het juridisch kader
3.4
De tenlastelegging is toegesneden op art. 343 (oud) Sr. Die bepaling luidde ten tijde van het ten laste gelegde als volgt:
“De bestuurder of commissaris van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon:
1° hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij enig goed aan de boedel onttrokken heeft of onttrekt;
2° enig goed hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd;
3° ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een van de schuldeisers op enige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt;
4° niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 5, eerste lid, van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld.”
3.5
In de toelichting op het middel wordt bij wijze van juridisch kader aangehaald dat de in art. 343 (oud) Sr gebezigde bewoordingen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ tot uitdrukking brengen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers en dat “uit de wetsgeschiedenis blijkt dat onder “op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen” moet worden verstaan: een tijdstip waarop de (bestuurder of commissaris van de schuldenaar)
zekerwist dat het faillissement – afgezien van onverwachte toevalligheden –
onvermijdelijkwas.” Vervolgens wordt het standpunt ingenomen dat hetgeen het hof heeft vastgesteld over (de bekendheid van de verdachte met) de financiële toestand van [A] niet een dergelijk “zeker vooruitzicht van het faillissement” oplevert. Bovendien zou de vaststelling van het hof dat de verdachte er alles aan heeft gedaan om het faillissement tegen te gaan en dat de verdachte zich persoonlijk garant had gesteld voor de schulden er juist op duiden dat “de vereiste mate van wetenschap van een aanstaand faillissement” ontbreekt.
3.6
Van belang is in de eerste plaats dat het bestanddeel ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ (art. 343 aanhef (oud) Sr) moet worden onderscheiden van het bestanddeel ‘op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen’ (art. 343 onder 3° (oud) Sr). Het eerstgenoemde, in de aanhef van art. 343 (oud) Sr voorkomende bestanddeel heeft betrekking op alle in dat artikel onder 1° tot en met 4° genoemde gedragingen. Pas als die gedragingen zijn verricht ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ kunnen deze de in art. 343 (oud) Sr strafbaar gestelde bedrieglijke bankbreuk opleveren. Het bestanddeel ‘op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen’ komt alleen voor in art. 343 onder 3° (oud) Sr. Dat bestanddeel geldt dus louter voor de aldaar omschreven gedraging, te weten het bevoordelen van de schuldeisers.
3.7
In de onderhavige zaak is niet alleen bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk doordat hij schuldeisers heeft bevoordeeld in de zin van art. 343 onder 3° (oud) Sr (zie bewezenverklaring onder C), ook heeft hij volgens het hof gelden aan de boedel onttrokken in de zin van art. 343 onder 1° (oud) Sr (zie bewezenverklaring onder A) en heeft hij niet voldaan aan zijn administratieplicht in de zin van art. 343 onder 4° (oud) Sr (zie bewezenverklaring onder D). In de bewezenverklaring is voor wat betreft de feitelijke uitwerking van de verweten gedragingen geen onderscheid gemaakt tussen “A” en “C”; de overboekingen waar het daar om gaat zijn opgenomen onder het gezamenlijke kopje “(ten aanzien van A/C)”. Die overboekingen leveren dus in elk geval ook het aan de boedel onttrekken van enig goed als bedoeld in art. 343 onder 1° (oud) Sr op.
3.8
Voor zover het middel berust op de opvatting dat (ook) voor de gedragingen die vallen onder art. 343 onder 1° en onder 4° (oud) Sr geldt dat deze moeten zijn verricht ‘op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen’, is die opvatting onjuist. Wel is het, als gezegd, zo dat (ook) deze gedragingen moeten zijn verricht ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’. Dat bestanddeel vereist eveneens enige vorm van wetenschap omtrent het (later) ingetreden faillissement. Daarover het volgende.
3.9
Onder handelen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ zoals bedoeld in art. 343 aanhef (oud) Sr moet worden verstaan handelen met het opzet op de verkorting van de rechten van de schuldeisers. [2] Onder dit opzet is mede voorwaardelijk opzet begrepen, zodat voor het bewijs van dat opzet ten minste is vereist dat het handelen van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan. [3] Omdat een dergelijke verkorting van de rechten van de schuldeisers – ook wel: benadeling van de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden – zich enkel zal voordoen in een faillissementssituatie (met een tekort daarin), [4] impliceert dit vereiste dat ten tijde van het verweten handelen een aanmerkelijke kans op een faillissement (met een tekort daarin) bestond. [5] Dat roept de vraag op hoe dit vereiste zich verhoudt tot het in art. 343 onder 3° (oud) Sr voorkomende bestanddeel dat de verdachte ‘wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen’.
3.1
Volgens de stellers van het middel moet onder dat bestanddeel worden verstaan: een tijdstip waarop de (bestuurder of commissaris van de schuldenaar) zeker wist dat het faillissement – afgezien van onverwachte toevalligheden – onvermijdelijk was. Zij volgen daarmee de uitleg die volgens Hilverda aan dit bestanddeel moet worden toegekend. Hilverda schrijft dat voor dit bestanddeel vereist is:
“dat (de bestuurder of commissaris van) de schuldenaar zeker weet dat een gegronde aanvraag van het faillissement – afgezien van onverwachte toevalligheden – niet is te vermijden. Nauwkeuriger geformuleerd is vereist dat (de bestuurder of commissaris van) de schuldenaar zeker weet dat
het faillissement– afgezien van onverwachte toevalligheden – onvermijdelijk is.” [6]
3.11
Met deze uitleg wijkt Hilverda uitdrukkelijk af van de uitleg die de Hoge Raad aan voornoemd bestanddeel gaf in zijn arrest van 1 juni 1891. [7] In die zaak overwoog de Hoge Raad dat met het ‘niet kunnen’ voorkomen van het faillissement niet de volstrekte onvermijdelijkheid van het faillissement wordt aangeduid, maar dat hiermee gedoeld wordt op:
“de onafwendbaarheid der faillietverklaring, zoo die bij gebreke van eigen aangifte door de schuldeischers gevorderd mocht worden, zonder dat inmiddels onverwachte hulp mocht opgedaagd, of eene onderhandsche schikking met de schuldeischers mocht getroffen zijn, en dat de (wetenschap dier) onafwendbaarheid, naar de bedoeling der wet, juist kan en moet berusten op ‘(bekendheid met) den min gunstigen, hem tot voldoening aan zijne financieele verplichtingen jegens zijne schuldeischers buiten staat stellenden toestand”.
3.12
Bij het in art. 343 onder 3° (oud) Sr voorkomende bestanddeel ‘wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen’ gaat het volgens de Hoge Raad dus om de bekendheid van de verdachte met de ongunstige, hem tot voldoening aan zijn financiële verplichtingen jegens zijn schuldeisers buiten staat stellende toestand. AG Spronken wijst in haar conclusie voorafgaand aan HR 22 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:339 op nog twee latere arresten waarin de Hoge Raad dit criterium lijkt aan te leggen.
3.13
De eerste betreft een zaak uit 1935 waarin het hof tot het bewijs had gebezigd de verklaring van de verdachte dat:
“hij in Februari 1934 van Mr. […] , advocaat te […] , voor den kunstmesthandelaar […] , die ruim f 1100 van hem te vorderen had wegens geleverde kunstmest, eenige aanmaningen tot betaling gekregen had, dat in den laatsten brief van Mr. […] met het nemen van maatregelen gedreigd werd, als hij niet binnen 3 dagen een voorstel deed, waardoor aflossing van de geheele schuld binnen een paar maanden verzekerd werd; dat zijn actief begin Maart 1934 bestond, behalve uit een boerderijtje van een kleine 3 ha grond ter waarde van ongeveer f 3200 uit eenig vee, wat los goed en een inboedel van geringe waarde, waartegenover een passief stond van wel f 12000 aan schulden, waaronder f 5350 aan hypothecaire schuld op bedoeld boerderijtje; dat hij wel begreep, dat hij zijn faillissement niet kon voorkomen, als dit door een zijner schuldeischers werd aangevraagd”.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof uit die verklaring de wetenschap van de verdachte kon afleiden dat zijn faillissement niet kon worden voorkomen. [8]
3.14
In de tweede zaak, die leidde tot een arrest uit 1939, [9] overwoog de Hoge Raad dat uit de bewijsmiddelen bleek dat:
“begin December 1935 de naamlooze vennootschap, ongerekend de hiervoren vermelde, in deze maand afgeloste schulden aan requirant, nog verschillende andere schulden had, nl. een van f 9000 gedekt door hypotheek op het pand […] , de twee andere hierna te vermelden hypotheekschulden, en niet door hypotheek verzekerde schulden; dat toen als activa daartegenover stonden, behalve de panden Vlietstraat, […] en […] en de door requirant in den loop dier maand overgenomen machinerieën en andere inventarisgoederen, kasgeld, een banksaldo en vorderingen tot een bedrag van ongeveer f 8000, waarvan requirant ongeveer de helft inbaar achtte; dat volgens de balans van 31 Dec. 1935 de activa toen nog alleen bestonden uit de panden […] en […] , debiteuren tot een bedrag van f 7341.84 en eenige kleinere posten, terwijl de schulden volgens die balans waren een van f 11960 met hypotheek op het pand […] , een van f 38400 met hypotheek op het pand […] , en een post crediteuren tot een bedrag van f 1086; dat een van de in die balans bedoelde debiteuren, die ongeveer f 1000 schuldig was, sedert 1930 in staat van faillissement verkeerde en aan een ander met een schuld van ongeveer f 4000 surseance van betaling was verleend; dat de post crediteuren op die balans te laag was, daar een van de crediteuren alleen reeds f 2500 te vorderen had; dat, nadat in Augustus 1936 het faillissement der naamlooze vennootschap was uitgesproken, de curator van de volgens de boeken openstaande vorderingen ten bedrage van f 8000 in totaal, slechts een kleine f 200 had weten binnen te krijgen, de panden […] en […] voor resp. f 10800 en f 1400 zijn verkocht, en het overige actief slechts f 300 beliep; dat na verkoop van het pand […] op de daarop gerust hebbende hypotheek f 1724 onvoldaan was gebleven; dat voorts nog bestonden de zoo juist bedoelde door hypotheek op het pand […] verzekerde schuld en nog andere schulden tot een bedrag van ongeveer f 3700;”
De Hoge Raad oordeelde dat (mede) [10] op grond van deze gegevens bewezen kon worden verklaard dat de verdachte de bedoelde wetenschap had.
3.15
Spronken staat in haar conclusie stil bij kritiek die is geuit op deze invulling door de Hoge Raad en volgt de daarvan afwijkende, onder 3.10 weergegeven uitleg van Hilverda. [11] Toegepast op de zaak in kwestie, schrijft Spronken dat het hof bij de beantwoording van de vraag ‘op welk tijdstip de verdachte wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen’, tot uitgangspunt had moeten nemen het moment waarop de verdachte zeker wist dat het faillissement – afgezien van onverwachte toevalligheden – onvermijdelijk was. Door in plaats daarvan te toetsen ‘[op] welke datum het faillissement en een tekort daarin voor verdachte met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien’ had het hof volgens Spronken het verkeerde toetsingskader aangelegd. [12]
3.16
In het arrest dat volgt overweegt de Hoge Raad het volgende:
“3.5.2 (…) anders dan de cassatiemiddelen tot uitgangspunt nemen, [heeft het hof] niet alleen geoordeeld dat (…) in het kader van het delictsbestanddeel “ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon” het faillissement van [E] B.V. en het tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid was te voorzien, maar tevens, in het kader van het opzet, dat vanaf die datum “de verdachte wist dat een faillissement onafwendbaar was”. Verder heeft het hof ook geoordeeld dat na die datum het faillissement niet kon worden voorkomen en de verdachte dat wist. Die oordelen getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting. (…).
3.5.3
Uit de bewijsvoering heeft het hof verder kunnen afleiden dat de verdachte als bestuurder het (voorwaardelijk) opzet had op de verkorting van de rechten van de (overige) schuldeisers. De bewezenverklaring is ook in zoverre toereikend gemotiveerd.” [13]
3.17
In deze overwegingen wordt in de eerste plaats uitgelegd dat in het kader van het bestanddeel ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon’ – waarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers – moet worden getoetst of het faillissement en het tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid was te voorzien. Uit deze overwegingen volgt verder dat waar het gaat om het in art. 343 aanhef en onder 3° (oud) Sr bedoelde bevoordelen van de schuldeisers, aanvullend opzet is vereist, in die zin dat de verdachte ‘wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen’ ofwel wist dat het faillissement onafwendbaar was.
3.18
De Hoge Raad komt in dat arrest, ondanks het betoog van Spronken daaromtrent, niet (expliciet) terug op de invulling die hij in 1891 gaf aan het in art. 343 aanhef en onder 3° (oud) Sr voorkomende bestanddeel ‘wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen’. Hij overweegt dat het oordeel van het hof dat de verdachte wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, niet onbegrijpelijk is. Daartoe wijst hij op de vaststellingen van het hof waaruit bleek dat de verdachte met het verweten handelen had geanticipeerd op een faillissement en op de vaststellingen van het hof over de financiële toestand waarin de rechtspersoon ten tijde van dat handelen verkeerde. Die laatste vaststellingen hielden onder meer in dat sprake was van een “uitzichtloze belastingschuld” naar aanleiding waarvan de Belastingdienst het faillissement had aangevraagd. Die aanvraag werd enkele malen aangehouden, waarna op enig moment was gebleken dat de bank had besloten geen kredietuitbreiding te zullen adviseren aan haar kredietcommissie en niet was gebleken dat de bank daarna een kredietuitbreiding had aangeboden. [14]
3.19
Over de pogingen die daarna nog waren gedaan om de financiële problemen van het concern waartoe de later failliet verklaarde rechtspersoon behoorde aan te pakken, overweegt de Hoge Raad dat dit “aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof (…) niet af[doet], (…) nu het hof heeft vastgesteld dat dit niet leidde tot zichtbaar resultaat voor die B.V. en de belastingschuld van die B.V. in die periode verder opliep.” [15] Gedragingen die erop gericht lijken te zijn een (dreigend) faillissement te voorkomen, hoeven aan het bewijs van wetenschap dus niet in de weg te staan.
De bespreking van het middel
3.2
Het hof heeft vastgesteld dat [A] op 4 september 2008 van de SGR een brief heeft ontvangen waarin wordt vermeld dat de vennootschap in een penibele financiële situatie verkeert en waarin voorwaarden zijn gesteld om de financiële situatie van [A] te versterken. Het hof heeft ook vastgesteld dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat de verdachte en [medeverdachte] voldoende adequate maatregelen hebben getroffen om de gang van zaken die aanleiding waren voor het stellen van die voorwaarden, te verbeteren. Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, heeft het hof dus niet vastgesteld dat uit de brief “nabije betalingsonmacht” blijkt, maar dat uit deze brief kon worden afgeleid dat betalingsonmacht zal ontstaan als het patroon zich doorzet van uitgaven die niet berusten op een reden die in het belang is van de vennootschap.
3.21
Uit de vaststellingen van het hof blijkt verder dat i) in de periode van 1 januari 2009 tot en met 8 september 2009 een geldbedrag van minimaal € 2.534.500,00 aan [B] is overgemaakt, terwijl daarvan slechts voor een bedrag van € 18.928,41 aan facturen ten grondslag lag en voor het overige geen terugbetalingsverplichting is vastgelegd, dat ii) [A] op 4 augustus 2009 aan de SGR een email heeft gestuurd waarin het financieel onvermogen van [A] wordt gemeld, dat iii) [A] in de week vóór die melding in totaal € 393.500,00 aan [C] heeft overgeboekt – waarvan € 56.500,00 op dezelfde dag als die melding – terwijl daaraan evenmin facturen ten grondslag lagen en dat iv) deze overboekingen aan [C] tot gevolg hebben gehad dat [betrokkene 2] – via [C] – is betaald en daardoor als schuldeiser van [A] is bevoordeeld ten opzichte van andere schuldeisers. Het oordeel van het hof dat de verdachte ten tijde van deze overboekingen aan [C] wist dat een faillissement van [A] onafwendbaar was, acht ik – gelet op de (zeer) korte tijd tussen die overboekingen en de door [A] gedane melding van zijn betalingsonmacht en de penibele situatie waarin [A] bij voortgang van de ongegronde betalingen zich zou gaan bevinden – niet onbegrijpelijk.
3.22
Uit de onder 3.20 en 3.21 weergegeven vaststellingen heeft het hof, naar ik meen, verder kunnen afleiden dat het faillissement voor de verdachte voorzienbaar was en dat hij (voorwaardelijk) opzet had op de verkorting van de rechten van de (overige) schuldeisers. Wat de stelling betreft dat de verdachte er alles aan heeft gedaan om het faillissement te voorkomen, heeft het hof juist vastgesteld dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat de verdachte en [medeverdachte] voldoende adequate maatregelen hebben getroffen om de gang van zaken die aanleiding was voor de hiervoor genoemde brief van 4 september 2008 van de SGR, te verbeteren. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de in het verweer van de verdediging genoemde persoonlijk garantstelling ook niet in de weg kan staan aan het bewezen achten van het opzet. Ook dit acht ik gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk, waarbij ik nog eens van belang acht dat volgens het hof de verdachte is doorgegaan met het onverplicht betalen van grote bedragen, terwijl hij wist dat juist door deze betalingen het faillissement onafwendbaar was. [16]
3.23
Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring van feit 1, voor zover deze inhoudt dat de verdachte “niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld”, omdat de verdachte en zijn mededader “geen volledige administratie [hebben] overgelegd van [A] B.V.”
4.2
Het middel valt in twee deelklachten uiteen. De eerste deelklacht houdt in dat het niet overleggen van de administratie niet was opgenomen in art. 343 (oud) Sr, maar strafbaar is gesteld in het huidige art. 344a Sr. De bewezenverklaring zou daarom op twee verschillende delictsomschrijvingen “hinken”. De tweede deelklacht houdt in dat het niet voldoen aan de administratieve verplichtingen als bedoeld in art. 343 onder 4° (oud) Sr in het huidige art. 344a Sr wordt bedreigd met een lagere gevangenisstraf. Het hof zou ten onrechte hebben nagelaten in zijn strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat het dit onder ogen heeft gezien.
4.3
De volledige bewezenverklaring van feit 1 is reeds weergegeven onder 3.2. Voor zover voor de bespreking van het middel relevant houdt deze in dat de verdachte:
“in de periode van 1 januari 2009 tot en met 11 februari 2013 in Nederland, als bestuurder van
[A] B.V. (tevens handelend onder de naam [D] en [E] ), een rechtspersoon welke bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 8 september 2009 in staat van faillissement is verklaard, tezamen en in vereniging met een ander, telkens ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van [A] B.V.,
(…)
D. niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een
administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld,
immers hebben verdachte en zijn mededader
(…)
(ten aanzien van D)
geen volledige administratie overgelegd van [A] B.V.”
4.4
Het hof heeft ten aanzien van de strafoplegging onder meer het volgende overwogen:
“Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van faillissementsfraude. Op het moment dat de vennootschap waarvan de verdachte bestuurder was financieel gezien in een kritieke situatie verkeerde, hebben de verdachte en zijn medebestuurder grote betalingen verricht, terwijl daarvoor geen grondslag bestond. Door zo te handelen hebben zij in totaal bijna € 3.000.000,00 aan de boedel onttrokken en een schuldeiser bevoordeeld ten opzichte van andere schuldeisers, terwijl een faillissement van de vennootschap onafwendbaar was geworden. Daarnaast hebben de verdachte en zijn medebestuurder niet voldaan aan hun administratieplicht, doordat zij geen volledige administratie hebben bijgehouden noch overgelegd aan de curator. Door het handelen van de verdachte en zijn medebestuurder zijn de schuldeisers van de vennootschap benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden, waardoor zij grote financiële schade hebben geleden. Bovendien leidt dit handelen tot aantasting van het vertrouwen tussen ondernemers onderling, terwijl dat vertrouwen essentieel is voor een goed functionerend handelsverkeer.
(…)
Het hof zal de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt voor de strafoplegging nemen. Daarin wordt voor fraudebedragen vanaf € 1.000.000,00 een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden of hoger genoemd. Met het oog op de hoogte van het fraudebedrag in deze zaak zal het hof een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden als uitgangspunt nemen. Het hof ziet in het tijdsverloop sinds het plegen van de strafbare feiten aanleiding om daarop zes maanden gevangenisstraf in mindering te brengen.
Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden passend en geboden. Gelet op het tijdsverloop vanaf de aanvang van deze strafzaak tot de huidige behandeling in’ hoger beroep dient bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf rekening te worden gehouden met het recht op berechting binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Als vertrekpunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 24 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen en met een eindarrest binnen 24 maanden nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg met ongeveer vier jaren en in hoger beroep met ongeveer twee jaren en negen maanden is overschreden. Voornoemde overschrijdingen kunnen niet aan de verdachte worden toegerekend. Om die reden zal het hof de op te leggen gevangenisstraf matigen met nogmaals zes maanden tot de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.”
4.5
Art. 343 (oud) Sr luidde ten tijde van het ten laste gelegde – voor zover hier relevant – als volgt:
“De bestuurder of commissaris van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon:
(…)
4° niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 5, eerste lid, van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld.”
4.6
Met de inwerkingtreding van de Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude (Stb. 2016, 154) op 1 juli 2016 is titel XXVI (Benadeling van schuldeisers of rechthebbenden) van het Wetboek van Strafrecht herzien. Daarmee werd art. 343 (oud) Sr gewijzigd en art. 344a Sr in het leven geroepen. Deze bepalingen kwamen – voor zover hier relevant – als volgt te luiden:
 Art. 343 Sr:
“Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft de bestuurder of commissaris van een rechtspersoon die wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld:
1°. voor de intreding van het faillissement, indien dit is gevolgd, of tijdens het faillissement enig goed aan de boedel heeft onttrokken of onttrekt;
2°. voor de intreding van het faillissement, indien dit is gevolgd, buitensporig middelen van de rechtspersoon heeft verbruikt, uitgegeven of vervreemd, dan wel hieraan heeft meegewerkt of daarvoor zijn toestemming heeft gegeven;
3°. voor de intreding van het faillissement, indien dit is gevolgd, of tijdens het faillissement een van de schuldeisers van de rechtspersoon op enige wijze wederrechtelijk heeft bevoordeeld of bevoordeelt.
 Art. 344a Sr:
“1 Hij die in staat van faillissement is verklaard, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:
(…)
2 Met dezelfde straf wordt gestraft de bestuurder of commissaris van een rechtspersoon, indien:
1°. hij tijdens het faillissement van de rechtspersoon desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator verstrekt;
2°. hij tijdens het faillissement van de rechtspersoon, of voor het faillissement indien dit is gevolgd, opzettelijk niet heeft voldaan aan of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt.”
4.7
De
eerste deelklachtfaalt. Anders dan de stellers van het middel kennelijk menen, komt aan de in art. 343 onder 4° (oud) Sr voorkomende woorden “tevoorschijn brengen” en de in art. 344a Sr voorkomende woorden “aan de curator verstrekt” dezelfde betekenis toe. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de onder 4.6 genoemde wet houdt daaromtrent in dat “het niet voldoen aan de verplichting tot afgifte van de boekhouding van de failliet (…) aan de curator [op dit moment] strafbaar [is] gesteld in (…) artikel (…) 343, onder 4°.” [17]
4.8
De verdachte ontbeert ieder belang bij zijn
tweede deelklacht.Zoals kennelijk ook door de stellers van het middel wordt onderkend, heeft het hof – naast het niet naleven van administratieve verplichtingen (art. 343 onder 4° (oud) Sr) – immers bewezenverklaard dat de verdachte gelden aan de boedel heeft onttrokken (art. 343 onder 1° (oud Sr) en (een) schuldeiser(s) heeft bevoordeeld (art. 343 onder 3° (oud) Sr). Ten aanzien van die laatste gedragingen geldt dat het destijds geldende strafmaximum van zes jaren gevangenisstraf na 1 juli 2016 ongewijzigd is gebleven (art. 343 aanhef en onder 1° en 3° Sr). Dat onder die omstandigheden thans een milder sanctieregime zou gelden, vermag ik niet in te zien.
4.9
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

5.Het derde middel

5.1
Het middel richt zich tegen het onder 2 bewezenverklaarde en klaagt dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van de geschriften als aldaar bedoeld. Het zou immers niet de verdachte, maar [A] zijn die als ‘gebruiker’ moet worden aangemerkt.
5.2
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat hij:
“in de periode van 1 september 2005 tot en met 31 mei 2008 in Nederland, meermalen opzettelijk voorhanden heeft gehad en gebruik heeft gemaakt van valse geschriften, terwijl hij weet dat deze geschriften bestemd zijn voor zodanige gebruik, te weten:
1. een "overeenkomst van geldlening" gesloten tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , gedateerd op september 2005 en
2. een "overeenkomst van achtergestelde geldlening" gesloten tussen [betrokkene 4] en [A] B.V. gedateerd op september 2005 en
3. een "overeenkomst van geldlening" gesloten tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 5] , gedateerd op september 2005 en
4. een "overeenkomst van achtergestelde geldlening" gesloten tussen [betrokkene 5] en [A] B.V. gedateerd op september 2005 en
5. een "overeenkomst van geldlening" gesloten tussen [betrokkene 3] en [medeverdachte] , gedateerd op september 2005 en
6. een "overeenkomst van achtergestelde geldlening" gesloten tussen [medeverdachte] en [A] B.V. gedateerd op september 2005
zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift telkens echt en onvervalst -, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte die geschriften heeft opgenomen in de administratie van [A] B.V., en bestaande die valsheid hierin dat in die geschriften fictieve overeenkomsten van (achtergestelde) geldleningen stonden vermeld, als ware deze door [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en [medeverdachte] ontvangen of verstrekt.”
5.3
Het hof heeft ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
“Feit 2
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gesteld dat de tenlastegelegde overeenkomsten opzichtig vals zijn en de verdachte door de overeenkomsten heeft beoogd ten overstaan van de SGR een gunstige onderbouwing te geven voor de stand van zaken van het eigen vermogen van [A] .
De verweren van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft de tenlastegelegde valsheid in geschrift ten aanzien van de overeenkomsten met [betrokkene 5] .
De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte voor het overige dient te worden vrijgesproken, nu hij de valse overeenkomsten niet heeft ondertekend en het opzet op de valsheid in geschrift ontbreekt.
Het oordeel van het hof
In de administratie van [A] zijn de volgende zes documenten, gedateerd september 2005 aangetroffen:
1. een ‘overeenkomst van geldlening’ tussen de verdachte (die destijds de achternaam ‘ [betrokkene 3] ’ droeg) en [betrokkene 4] ;
2. een ‘overeenkomst van achtergestelde geldlening’ tussen [betrokkene 4] en [A] van € 40.000;
3. een ‘overeenkomst van geldlening’ tussen de verdachte en [betrokkene 5] ;
4. een ‘overeenkomst van achtergestelde geldlening’ tussen [betrokkene 5] en [A] van € 40.000;
5. een ‘overeenkomst van geldlening’ tussen de verdachte en [medeverdachte] ;
6. een ‘overeenkomst van achtergestelde geldlening’ tussen [medeverdachte] en [A] van €45.000.
Geschriften onder 3 en 4
De verdachte heeft in hoger beroep ten aanzien van de hierboven onder 3 en 4 genoemde documenten verklaard dat op papier iets anders stond vermeld dan werkelijk het geval was. [betrokkene 5] heeft verklaard dat zij de overeenkomsten heeft ondertekend, maar dat "
het allemaal nep was" en er "
geen geld over tafel is gegaan". Dit wordt ondersteund door de verklaring van haar dochter [betrokkene 6] , inhoudende dat de leningsovereenkomst een
fakeovereenkomst is en dat zij heel zeker weet dat haar moeder nooit iets heeft (door)geleend. Op grond van deze verklaringen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de onder 3 en 4 genoemde documenten valse geschriften betreffen.
Geschriften onder 1, 2, 5 en 6
De overige vier documenten onder 1, 2, 5 en 6 zijn, afgezien van de hoogte van de vermelde geldbedragen en de wederpartijen van de verdachte dan wel [A] , identiek aan de overeenkomsten met [betrokkene 5] . De getuige [betrokkene 4] heeft ten aanzien van de documenten onder 1 en 2 verklaard dat hij nooit geld van de verdachte heeft geleend, er helemaal niets van klopt en er nooit is gebeurd wat in de documenten staat. Deze verklaring is in lijn met de verklaring van de getuige [medeverdachte] . Laatstgenoemde heeft verklaard dat hij nooit geld heeft geleend of uitgeleend, en dat hij in 2005 nooit een dergelijke overeenkomst heeft ondertekend. De handtekening op de documenten onder 5 en 6 is niet zijn handtekening.
De grote gelijkenissen tussen de verschillende documenten in combinatie met voornoemde getuigenverklaringen brengen het hof tot het oordeel dat ook de onder 1, 2, 5 en 6 genoemde documenten niet conform de werkelijkheid zijn opgemaakt en vals zijn. Het hof weegt in dat licht mee dat de accountant van [A] heeft verklaard dat hij de zogenoemde overeenkomsten op verzoek van de verdachte heeft opgemaakt, omdat de SGR achtergestelde leningen als eigen kapitaal aanmerkte. Daaruit blijkt dat de verdachte met het laten opstellen van de documenten de bedoeling had bij de SGR de suggestie te wekken dat [A] aan de eisen van het garantiefonds voldeed, terwijl dat niet het geval was. In het verlengde daarvan acht het hof het opzet op de valsheid bewezen. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging dat de verdachte de valse overeenkomsten niet heeft ondertekend, nu de handtekeningen op de overeenkomsten onder 1, 2, 5 en 6 corresponderen met de handtekeningen op de overeenkomsten met [betrokkene 5] en de handtekeningen onder de verhoren van de verdachte ten overstaan van de FIOD.
Conclusie
Op grond van het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat de verdachte de zes valse geschriften opzettelijk voorhanden heeft gehad en daarvan gebruik heeft gemaakt door die in de administratie van [A] op te nemen. Het hof zal de verdachte vrijspreken van het medeplegen nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat hij deze handelingen in een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen heeft verricht.”
5.4
Begrijp ik het middel goed, dan wordt niet betwist dat in de administratie van [A] valse geschriften zijn opgenomen en dat (daarmee) sprake is van ‘gebruikmaken’ in de zin van art. 225 lid 2 Sr. Het is de stellers van de middels er louter om te doen dat uit de bewijsvoering niet zou kunnen volgen dat het de verdachte is geweest die gebruik heeft gemaakt van de betreffende geschriften, “nu [A] als ‘gebruiker’ moet worden aangemerkt”.
5.5
Ik kan de stellers van het middel daarin niet volgen. Het hof heeft vastgesteld dat i) de verdachte bestuurder van [A] was, dat ii) in de administratie van [A] valse (achtergestelde) leningsovereenkomsten zijn aangetroffen, dat iii) de verdachte deze overeenkomsten heeft ondertekend en dat iv) de accountant van [A] heeft verklaard dat hij deze overeenkomsten op verzoek van de verdachte heeft opgemaakt, omdat de SGR achtergestelde leningen als eigen kapitaal aanmerkte. Hieruit heeft het hof afgeleid – en kunnen afleiden – dat de verdachte met het laten opstellen van d(i)e documenten de bedoeling had bij de SGR de suggestie te wekken dat [A] aan de eisen van het garantiefonds voldeed, terwijl dat niet het geval was. Op grond daarvan heeft het hof kunnen oordelen dat de verdachte van die overeenkomsten gebruik heeft gemaakt in de zin van art. 225 lid 2 Sr. Dat alleen [A] en niet de verdachte zich aan dergelijk ‘gebruikmaken’ schuldig heeft gemaakt, vermag ik niet in te zien en wordt ook niet nader toegelicht.
5.6
Het middel faalt.

6.Afronding

6.1
Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.ECLI:NL:GHAMS:2024:353 (parketnummer 23-001895-19).
2.HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BI4691.
3.HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BI4691, rov. 4.3.2 en 4.4.2. Zie ook HR 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4797, rov. 2.3 en HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5446, rov. 3.2.
4.Hilverda schrijft daarover het volgende: “een faillissement is (…) niets anders dan een gemeenschappelijk verhaal op het gehele vermogen van de schuldenaar ten behoeve van zijn gezamenlijke schuldeisers. De benadeling van de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden (…) zal zich dus enkel voordoen in faillissementssituaties met een tekort daarin. Zie C.M. Hilverda,
5.Zie daarover uitgebreid mijn conclusie in de samenhangende zaak 24/00765, randnrs. 4.3 – 4.14.
6.C.M. Hilverda, Faillissementsfraude. Een studie naar de strafrechtelijke handhaving van faillissementsrechtelijke normen, Kluwer: Deventer 2009 (hierna: Hilverda 2009), p. 174.
7.HR 1 juni 1891, W 6044. Hilverda acht het door de Hoge Raad aangelegde criterium, “gelet op de wettekst en de wetsgeschiedenis”, te ruim. Zie daarover: Hilverda 2009, p. 168-175.
8.HR 15 april 1935, ECLI:NL:HR:1935:253,
9.HR 30 oktober 1939, ECLI:NL:HR:1939:119,
10.De Hoge Raad achtte verder nog van belang de verklaring van een getuige (en deskundige) dat “volgens de notulen van de aandeelhoudersvergadering der naamlooze vennootschap van 7 December 1935 de directie, dit is requirant, er toen mede bekend was, dat de toestand der naamlooze vennootschap treurig was, en dat volgens de jaarbalansen het door de vennootschap geleden kapitaalverlies, ondanks de afdoening in December 1935 eener schuld van f 31500 met een bedrag van slechts f 13500, gedurende het jaar 1935 van f 16038,25 tot f 52311,43, of meer dan 5/6 van het kapitaal, was gestegen.”
11.Conclusie AG Spronken van 21 december 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1206, randnrs. 3.2.8 – 3.2.16.
12.Conclusie AG Spronken van 21 december 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1206, randnrs. 4.2 en 4.3.
13.HR 22 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:339, rov. 3.5.2.
14.HR 22 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:339, rov. 3.2.2 en rov. 3.5.1.
15.HR 22 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:339, rov. 3.5.2.
16.Vgl mijn bespreking van het tweede middel in de samenhangende zaak 24/00765 tegen de medeverdachte.