ECLI:NL:HR:2022:381
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad beslist over prematuriteit uitspraak bezwaar watersysteemheffing en wettelijke rente
Belanghebbende, een B.V., maakte bezwaar tegen de beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) en de aanslag watersysteemheffing voor het jaar 2018 betreffende een onroerende zaak. Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant deed in één geschrift uitspraak op de bezwaren tegen beide besluiten.
Het geschil betrof onder meer de vraag of de uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag watersysteemheffing prematuur was in strijd met artikel 131 van Pro de Waterschapswet. Het hof oordeelde dat dit niet het geval was omdat de uitspraak in één geschrift was gedaan en dat de procedures gelijktijdig waren gevoerd. Daarnaast kende het hof een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank.
De Hoge Raad verwierp het middel dat stelde dat de uitspraak prematuur was en bevestigde dat belanghebbende niet benadeeld was. Wel gaf de Hoge Raad het middel dat het hof had verzuimd wettelijke rente toe te kennen over de vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht, en vernietigde het arrest voor zover het hof hierover niet had beslist. Het dagelijks bestuur werd veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het niet heeft beslist over wettelijke rente en veroordeelt het dagelijks bestuur tot betaling van wettelijke rente en proceskosten.