Uitspraak
1.Het eerste geding in cassatie
2.Het tweede geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie van de erfgenamen van een belastingplichtige tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2010, inclusief de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.
Eerder had de Hoge Raad een eerdere uitspraak van het Gerechtshof Den Haag vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. In het tweede cassatieberoep hebben de belanghebbenden diverse klachten tegen de uitspraak van het hof ingebracht.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van de uitspraak kunnen leiden. Omdat de klachten geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht bevatten, was een nadere motivering niet vereist.
De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Hiermee blijft de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam in stand.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam blijft in stand.