ECLI:NL:HR:2022:787
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2010
Belanghebbende was het niet eens met een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2010, opgelegd door de Staatssecretaris van Financiën. Na eerdere procedures bij het Gerechtshof Den Haag en Amsterdam, waarbij het eerste arrest van de Hoge Raad tot verwijzing leidde, werd het geschil opnieuw behandeld door het Gerechtshof Amsterdam.
Belanghebbende stelde in cassatie diverse klachten tegen het arrest van het Hof, maar de Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging konden leiden. De Hoge Raad vond het niet noodzakelijk om inhoudelijk op de klachten in te gaan, omdat deze geen vragen opriepen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Hiermee blijft het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 11 mei 2021 in stand, waarmee de navorderingsaanslag en de beschikking inzake heffingsrente gehandhaafd blijven.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam blijft in stand.