Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
8 februari 2022.
Hoge Raad
In deze strafzaak is de verdachte veroordeeld voor oplichting waarbij de benadeelde partij, een slager, werd bewogen tot afgifte van een vleesschotel. De benadeelde partij had een schadevergoeding gevorderd van € 86,79 aan materiële schade en € 180 aan immateriële schade, waarbij het hof de immateriële kosten als materiële schade heeft aangemerkt vanwege de aard van de kosten (onkosten zoals aangifte).
Het hof heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 266,79, inclusief de wettelijke rente, en dit bedrag als materiële schade beschouwd. De verdachte heeft dit niet betwist. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van de verdachte verworpen en bevestigd dat het hof de vordering niet onbegrijpelijk heeft uitgelegd.
Daarnaast heeft de Hoge Raad ook de overige klachten van de verdachte beoordeeld en deze eveneens verworpen zonder nadere motivering, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het arrest is uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 8 februari 2022.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toewijzing van € 266,79 materiële schadevergoeding aan de benadeelde partij.