Conclusie
Bewijsmiddelen
Medeplegen
Overwegingen met betrekking tot het bewijs van het onder 2 tenlastegelegde
NJ2004/165 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het de rechter evenwel is toegestaan om zich in een nadere bewijsoverweging te beroepen op feiten en omstandigheden die niet in de bewijsmiddelen, waarop de bewezenverklaring steunt, zijn opgenomen wanneer het hof met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (a) de redengevende feiten en omstandigheden aanduidt en (b) het wettige bewijsmiddel aangeeft waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Betreft het feiten of omstandigheden die zijn vervat in processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere schriftelijke bescheiden, dan dienen die stukken ter terechtzitting te zijn voorgelezen of moet daarvan aldaar de korte inhoud zijn medegedeeld.
NJ2018/50). Van recenter datum is HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:72, waarnaar in de schriftuur wordt verwezen. De Hoge Raad oordeelde in dat arrest dat de bewezenverklaring van het medeplegen van het opzettelijk telen van hennep ontoereikend was gemotiveerd. Dit omdat de feiten en omstandigheden die het hof aan de bewezenverklaring van het medeplegen ten grondslag had gelegd in de kern niet meer inhielden dan dat de verdachte aan een ander middelen had verschaft voor het telen van hennepplanten in de gezamenlijke woning, hetgeen op het eerste gezicht duidt op gedragingen die met medeplichtigheid in verband worden gebracht, en dat zij had geprofiteerd van de inkomsten uit de kwekerij. Deze omstandigheden zijn volgens de Hoge Raad niet zonder meer voldoende om tot het oordeel te komen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met de medeverdachte, gericht op het opzettelijk telen van hennep.
.
Inbeslaggenomen goederen
Beslag
instrumenta delicti).Een voorwaarde is hier dat de voorwerpen ook daadwerkelijk zijn gebruikt bij de voorbereiding of uitvoering van het delict, hetgeen inhoudt dat het voorwerp is gebruikt in verband met het strafbare feit. [8] Onder ‘het strafbare feit’, ‘het feit’ en ‘het misdrijf’ in art. 33a, eerste lid, Sr moet telkens het bewezenverklaarde feit worden verstaan. [9] Het oordeel over de vatbaarheid voor verbeurdverklaring hoeft niet te blijken uit bewijsmiddelen, maar moet wel berusten op gegevens die zijn gebleken bij het onderzoek ter terechtzitting. [10] Indien niet direct duidelijk is waarvoor het voorwerp is gebruikt, dient de verbeurdverklaring op deze grond expliciet te worden gemotiveerd. [11]