ECLI:NL:PHR:2026:265

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
24/01684
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 247 Sr (oud)Art. 248a Sr (oud)Art. 240b Sr (oud)Art. 14c lid 2 sub 5 SrArt. 14c lid 2 sub 14 Sr
Verwijzingen
28 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering straf en aanpassing schadevergoeding en proceskosten bij ontucht en kinderpornozaak

De verdachte is door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, wegens ontucht met een minderjarige en het bezit en verspreiden van kinderporno. Het hof legde bijzondere voorwaarden op, waaronder een contactverbod met het slachtoffer en het vermijden van contact met minderjarigen. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan de benadeelde partij.

In cassatie zijn vijf middelen ingediend, waarvan de eerste twee gericht zijn op de bijzondere voorwaarden van het contactverbod en het vermijden van contact met minderjarigen. Deze middelen worden verworpen. Middel drie en vier betreffen de toewijzing van materiële schade en de proceskostenveroordeling, waarbij de Hoge Raad oordeelt dat bepaalde reiskosten niet voor vergoeding in aanmerking komen en de proceskostenveroordeling moet worden aangepast. Middel vijf klaagt over overschrijding van de inzendtermijn, wat eveneens wordt toegewezen.

De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de hoogte van de straf, de schadevergoeding tot €1.830,81 en de proceskostenveroordeling betreft. De straf wordt verminderd naar de gebruikelijke maatstaf van 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. De toegewezen schadevergoeding wordt vastgesteld op €1.769,87, bestaande uit materiële en immateriële schade, en de proceskostenveroordeling wordt begroot op nihil. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de straf, past de schadevergoeding aan en wijzigt de proceskostenveroordeling in een zaak over ontucht en kinderporno.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01684
Zitting17 maart 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 18 april 2024 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-001925-21) wegens
- in de zaak met parketnummer 09-857042-19 onder 1: “met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd”;
- in de zaak met parketnummer 09-857042-19 onder 3: “door giften en beloften van geld een persoon waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen, meermalen gepleegd”;
- in de zaak met parketnummer 09-837280-17: “een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, aanbieden, verwerven, in bezit hebben en zich door middel van een geautomatiseerd werk en met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt”,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren, met algemene en bijzondere voorwaarden zoals nader in het arrest omschreven, met aftrek van het voorarrest zoals bedoeld in art. 27 Sr Pro. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij ter zake van immateriële schade toegewezen en in verband daarmee aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest is vermeld.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij heeft R.J. Laatsman, advocaat in Oss, een verweerschrift tegen het derde en het vierde middel van de verdediging ingediend.

2.Het eerste en het tweede middel

2.1
De eerste twee middelen hebben betrekking op twee bij het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf gestelde voorwaarden. Daarom geef ik hierna eerst weer wat het arrest en het proces-verbaal van de zitting van het hof over deze voorwaarden inhouden.
Het arrest van het hof, de vordering van de advocaat-generaal en het verweer van de verdediging
2.2
De bewezenverklaring in de onderhavige zaak ziet, onder meer, op het plegen van ontucht met iemand die de leeftijd van 16 jaar nog niet heeft bereikt (feit 1) en bewegen tot het plegen van ontuchtige handelingen van iemand die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt (feit 3). Beide feiten hebben betrekking op [slachtoffer] .
2.3
Het hof heeft aan de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd en daarbij als bijzondere voorwaarden, onder meer, gesteld dat de veroordeelde:
“(…)
3. op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met [slachtoffer] ( [geboortedatum] 2002), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
(…)
6. op geen enkele wijze contact zoekt met minderjarigen en deze contacten zoveel mogelijk vermijdt”.
2.4
In het kader van de strafmotivering heeft het hof, voor zover voor de bespreking van de middelen relevant, het volgende overwogen:

Ernst van de feiten
De verdachte heeft in een periode van vijf jaren meerdere malen ontucht gepleegd met het slachtoffer, die toen tussen de elf en zestien jaar oud was. Dit bestond onder meer uit het betasten, aftrekken en pijpen van het slachtoffer. Daarnaast heeft de verdachte het slachtoffer geld gegeven in ruil voor naaktfoto's. Het slachtoffer liep achter in zijn cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling en was daardoor extra kwetsbaar. Met zijn handelen heeft de verdachte op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en misbruik gemaakt van een kwetsbaar slachtoffer. Feiten als deze kunnen langdurige psychische en emotionele gevolgen hebben, voor het slachtoffer. Dat dit ook het geval is, is mede gebleken uit de toelichting bij zijn vordering als benadeelde partij en de ter terechtzitting in hoger beroep namens hem voorgedragen slachtofferverklaring. Als gevolg van het misbruik is het slachtoffer onder behandeling geweest. Verder is uit de slachtofferverklaring gebleken dat het slachtoffer nog steeds kampt met gevoelens van schaamte.
Daarnaast heeft de verdachte er een gewoonte van gemaakt om gedurende een langere periode kinderpornografische foto’s en films te downloaden, te delen met anderen en in zijn bezit te hebben. Het ging om een grote hoeveelheid aan kinderporno, waaronder ook materiaal van zeer jonge kinderen waarbij op grove en schokkende wijze inbreuk wordt gemaakt op hun lichamelijke integriteit. Het bezit van kinderporno is buitengewoon verwerpelijk, met name omdat bij de- vervaardiging van deze afbeeldingen kinderen seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. Voor een effectieve bestrijding van kinderporno is het noodzakelijk om niet alleen degenen aan te pakken die kinderporno vervaardigen, maar zeker ook degenen die kinderporno bezitten en verspreiden, omdat zij daarmee een bijdrage leveren aan het in stand houden van de markt voor kinderporno en daarmee ook aan het seksueel misbruik dat voor het vervaardigen van. kinderporno plaatsvindt.
Justitiële documentatie
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 maart 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een (vergelijkbaar) strafbaar feit.
De persoon van de verdachte
Het hof heeft acht geslagen op de ten behoeve van de verdachte opgestelde rapporten van de reclassering.
Uit het rapport van de reclassering van 22 augustus 2023 volgt dat het psychosociaal functioneren en het middelengebruik van de verdachte als voornaamste criminogene factoren naar voren komen. De verdachte is gediagnosticeerd met pedofilie en is sinds enkele jaren in vrijwillig kader in behandeling bij De Waag. De verdachte stelt zich bewust te zijn van zijn seksuele voorkeur, waardoor hij contact met minderjarigen actief vermijdt. Echter vervagen de grenzen onder invloed van alcohol en zoekt de verdachte dan eerder toenadering tot minderjarige jongens. Het risico op recidive van een zedendelict wordt door de reclassering als gemiddeld-hoog geschat. De reclassering adviseert om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan verbonden de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, een ambulante behandeling, een contactverbod met het slachtoffer, een inspanningsverplichting voor het vinden van dagbesteding, meewerken aan middelencontrole, het vermijden van contact met minderjarigen en het vermijden van kinderporno. De reclassering adviseert een proeftijd van vijf jaren op te leggen om een sociaal bestaan op te kunnen bouwen en behandeling voort te kunnen zetten.
Redelijke termijn
(…)
De op te leggen straf
Gezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten is het hof van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenis straf.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren, in beginsel een passende en geboden reactie vormt. Het hof zal deze gevangenisstraf - gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn - echter matigen tof een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren.
De voorwaardelijke straf dient daarbij als stok achter de deur om te voorkomen dat de verdachte zich in de toekomst wederom schuldig maakt aan het plegen van een strafbaar feit. Het hof acht een proeftijd voor de duur van 5 jaren wenselijk nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht, is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Het hof zal aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden verbinden zoals deze zijn geadviseerd in het reclasseringsadvies d.d. 22 augustus 2023.
Slotsom
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.”
2.5
De opgelegde straf is conform de vordering van de advocaat-generaal bij het hof, die voor de bijzondere voorwaarden verwijst naar het reclasseringsrapport. In het rapport – dat zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt – is als bijzondere voorwaarde, onder meer, een contactverbod voorgesteld: “Betrokkene heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [slachtoffer] (geb.dtm [geboortedatum] -2002), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.” Uit het rapport volgt dat deze voorwaarde op verzoek van het slachtoffer wordt geadviseerd. [1] Ook het vermijden van contact met minderjarigen is door de reclassering geadviseerd: “Betrokkene zoekt op geen enkele wijze contact met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk.” In het proces-verbaal van de zitting is opgenomen dat de verdachte in het kader van zijn persoonlijke omstandigheden heeft verklaard dat hij contact met minderjarigen mijdt en dat hij het contactverbod met [slachtoffer] goed vindt. [2] De verdediging heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting van het hof en daarbij gevoegde pleitnota een alternatieve straf voorgesteld, maar geen verweer gevoerd tegen het gevorderde contactverbod of de gevorderde voorwaarde ten aanzien van het vermijden van contact met minderjarigen. [3]
Het eerste middel
2.6
In het eerste middel wordt geklaagd dat de door het hof gestelde bijzondere voorwaarde dat de verdachte “op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met [slachtoffer] ( [geboortedatum] -2002), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt” in strijd is met art. 14c lid 2 sub 5 Sr. Volgens de steller van het middel is het contactverbod zo geformuleerd – de verdachte mag geen contact “hebben” met het slachtoffer – dat naleving ervan niet onder alle omstandigheden afhankelijk is van het gedrag van de verdachte, omdat het contact ook van het slachtoffer kan uitgaan en het op voorhand de vraag is of de verdachte dat contact dan (afdoende) kan vermijden.
2.7
Art. 14c lid 2 Sr bevat de bijzondere voorwaarden die aan een voorwaardelijke veroordeling kunnen worden gekoppeld. [4] In art. 14c lid 2 sub 5 is opgenomen het “verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen”. Art. 14c lid 2 sub 14 biedt de grondslag voor het stellen van “andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende”. Ook daaronder kan een contactverbod worden begrepen. [5]
Met betrekking tot de voorwaarde uit art. 14c lid 2 sub 14 Sr bepaalt de wet uitdrukkelijk dat de voorwaarde het gedrag van de veroordeelde moet betreffen. Daarin ligt het vereiste besloten dat naleving van de voorwaarde afhankelijk moet (kunnen) zijn van het gedrag van de veroordeelde. [6] In verband met de voorzienbaarheid en proportionaliteit moet de voorwaarde bovendien zo precies mogelijk worden beschreven. Het moet voor de veroordeelde voldoende duidelijk zijn wat van hem of haar wordt verwacht. Ik ga ervan uit dat deze vereisten evenzo gelden voor het contactverbod dat in sub 5 is genoemd. [7]
2.8
De vraag die het middel opwerpt werd eveneens aan de orde gesteld in HR 19 september 2017. [8] Het in die zaak opgelegde contactverbod zou in strijd zijn met art. 14c lid 2 Sr voor zover daarin was opgenomen dat de veroordeelde geen contact zal “hebben” met de in de voorwaarde genoemde personen. A-G Bleichrodt beoordeelde in zijn conclusie de gestelde voorwaarde in het licht van het in sub 5 opgenomen contactverbod. Hij stelde dat het hof er beter aan had gedaan aan te sluiten bij de wettekst, maar meende dat de door het hof gestelde voorwaarde niet anders kon worden begrepen dan dat van de veroordeelde werd gevergd dat hij geen contact legt en laat leggen met de bedoelde personen. In deze zin begrepen, houdt de voorwaarde een inspanningsverplichting voor de veroordeelde in contact met deze personen te mijden, aldus Bleichrodt. Gelet daarop achtte hij de gestelde voorwaarde (in zoverre) niet in strijd met het bepaalde in art. 14c lid 2 Sr. De Hoge Raad verwierp het middel (op dit punt [9] ), met een motivering als bedoel in art. 81 lid 1 RO Pro. Daarbij merk ik voor de volledigheid op dat uit de bespreking van een ander onderdeel van het middel volgt dat de Hoge Raad de gestelde voorwaarde, inhoudende een contactverbod, kwalificeerde als algemene gedragsvoorwaarde uit sub 14. Mogelijk heeft dit te maken met de formulering van de voorwaarde; nu deze afwijkt van de in sub 5 opgenomen voorwaarde (contact (laten) leggen) vormt sub 14 de grondslag.
2.9
Op welke van de twee wettelijke grondslagen het hof in de onderhavige zaak bij het stellen van de bijzondere voorwaarde het oog heeft gehad, volgt niet uit het arrest. Gelet op de formulering van het verbod, die afwijkt van sub 5, neem ik aan dat het hof sub 14 heeft toegepast. Voor de beoordeling van het middel is dat wat mij betreft niet doorslaggevend, omdat – zoals gezegd – in beide gevallen de voorwaarde het gedrag van de veroordeelde moeten betreffen. Ik meen dat aan dit vereiste bij het gestelde contactverbod, waarvan de verdachte overigens heeft verklaard dat het ‘goed’ is, is voldaan. In de onderhavige zaak moet de bijzondere voorwaarde worden begrepen als een verplichting voor de veroordeelde om zich te onthouden van – direct of indirect – contact met [slachtoffer] . Dit omvat een verbod voor de verdachte om contact te (laten) leggen of hebben met [slachtoffer] en ook een (inspannings)verplichting om te voorkomen dat contact tot stand komt, ook als de ander contact zou zoeken. [10] , [11] Daarbij merk ik op dat contact verbinding impliceert, waarvoor in beginsel minimaal twee mensen nodig zijn. Met andere woorden: ook als een ander contact zoekt, kan de verdachte voorkomen dat het contact daadwerkelijk tot stand komt. De voorwaarde heeft anders dan de steller van het middel betoogt dus wel degelijk betrekking op het gedrag van de verdachte.
2.1
Het middel faalt.
Het tweede middel
2.11
Het tweede middel is gericht tegen de voorwaarde dat de verdachte “op geen enkele wijze contact zoekt met minderjarigen en deze contacten zoveel mogelijk vermijdt”. Aangevoerd wordt dat deze voorwaarde te onbepaald is, nu deze een ongeclausuleerd contactverbod ten aanzien van minderjarigen bevat.
2.12
In de toelichting op het middel is opgenomen dat de gestelde voorwaarde volgens de steller van het middel moet worden begrepen als een contactverbod in de zin van art. 14c lid 2 sub 5 Sr. Die veronderstelling lijkt mij onjuist. De formulering van de voorwaarde in het dictum sluit niet aan bij het in art. 14c lid 2 sub 5 Sr opgenomen contactverbod. Ook de strafmotivering biedt hiervoor geen aanknopingspunt. Het hof spreekt daarin niet van een contactverbod maar van “het vermijden van contact met minderjarigen”. De wettelijke grondslag voor de opgelegde voorwaarde is in plaats daarvan te vinden in art. 14c lid 14 Sr.
2.13
Zoals bij de bespreking van het eerste middel opgemerkt geldt dat naleving van de voorwaarde afhankelijk moet (kunnen) zijn van het gedrag van de veroordeelde en dat de voorwaarde bovendien zo precies mogelijk moet worden beschreven, zodat voor de veroordeelde voldoende duidelijk is wat van hem of haar wordt verwacht.. Hieraan is in mijn ogen voldaan. Voldoende duidelijk voor de verdachte is dat hij wordt geacht zelf geen contact met minderjarigen te zoeken en daarnaast contact met minderjarigen zoveel mogelijk dient te vermijden. De verdachte heeft overigens ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dit al te doen. Hierbij gaat het dus, wederom, expliciet om een inspanningsverplichting voor de verdachte. Dat deze verplichting betrekking heeft op het vermijden van contact met een grote groep personen maakt dat deze verstrekkend is, maar niet dat de voorwaarde onvoldoende bepaald is.
2.14
Het middel faalt.

3.De vordering tot schadevergoeding

3.1
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend voor een bedrag van € 1.830,81, bestaande uit € 80,81 materiële schade en € 1.750,00 immateriële schade. De materiële schade heeft blijkens de vordering betrekking op reiskosten van de verdachte naar het politiebureau (tweemaal) en ten behoeve van een gesprek met de officier van justitie (eenmaal). Het hof heeft – in navolging van de rechtbank [12] – de vordering tot schadevergoeding volledig toegewezen. Daarbij heeft het hof de verdachte veroordeeld in de door de door de benadeelde partij gemaakte, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, vooralsnog begroot op € 44,20. Uit de vordering tot schadevergoeding volgt dat dit bedrag ziet op reiskosten naar de rechtbank op de dag van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg (eenmaal) en bezoek aan een advocaat (tweemaal). Aan de verdachte is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor het bedrag van € 1.830,81. De aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en immateriële schade is bepaald op 21 december 2018. Deze beslissingen zijn gelijk aan hetgeen de rechtbank in eerste aanleg ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft beslist.
3.2
Het proces-verbaal van de zitting bij het hof houdt met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding onder meer in:
“De voorzitter gaat over tot de bespreking van de vordering van de benadeelde partij.
Desgevraagd door de voorzitter licht mr. R.J. Laatsman de vordering namens [slachtoffer] toe:
Het is goed dat [slachtoffer] er vandaag niet is. Hij trekt de ontkenningen van de verdachte niet en het doet hem pijn dat hoger beroep is ingesteld. De verzochte immateriële schadevergoeding is relatief laag. Immers komt deze feitelijk inmiddels uit op € 10.000,00. Ik denk dan ook dat het billijk is dat de vordering wordt toegewezen.
Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld, maakt mr. R.J. Laatsman namens [slachtoffer] gebruik van het spreekrecht volgens de door hem overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte, verklaring.
De raadsman van de verdachte reageert: (…) Het leed van [slachtoffer] doet wat met verdachte. Mijn cliënt is dan ook bereid om € 5.000,00 aan [slachtoffer] te betalen ter compensatie.
(…)
De raadsman voert vervolgens het woord overeenkomstig zijn overgelegde en in dit procesdossier gevoegde pleitnota. De pleitnota dient op het navolgende punt als aangevuld te worden gelezen:
Ik verzet mij niet tegen de reeds toegewezen vordering tot schadevergoeding. Voorts breng ik een alternatieve straf naar voren: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 dagen alsmede een maximale taakstraf per feit en een voorwaardelijke taakstraf. Als bijzondere voorwaarde kan, naast de toegewezen schadevergoeding, de compensatie van € 5.000,00 opgelegd worden.
Mr. R.J. Laatsman, de raadsman van de benadeelde partij [slachtoffer] , wordt in de gelegenheid gesteld te reageren en voert het woord:
Als de compensatie van € 5.000,00 als bijzondere voorwaarde opgenomen kan worden, ga ik ermee akkoord. De werkelijke schade is echter veel hoger.”
3.3
Alvorens ik overga tot bespreking van de middelen merk ik op dat tegen deze vordering is in twee feitelijke instanties geen enkel verweer gevoerd, dus ook niet nadat deze door de rechtbank geheel was toegewezen. Sterker nog, in hoger beroep is namens de verdachte aangevoerd dat geen verzet bestaat tegen de reeds (zo begrijp ik: door de rechtbank) toegewezen vordering en is bovendien namens de verdachte aangeboden daarnaast ter compensatie aan het slachtoffer € 5.000,- te betalen. In de schriftuur wordt ten aanzien van het belang van de verdachte bij cassatie slechts opgemerkt dat reiskosten van de benadeelde partij (middel 3) niet kunnen worden betrokken in een proceskostenveroordeling (middel 4). De – zoals gezegd voor het eerst – in cassatie bestreden reiskosten bedragen € 80,81, de proceskostenveroordeling door het hof betreft € 44,20. Ik vind de klachten in cassatie moeilijk te rijmen met hetgeen in hoger beroep is voorgevallen en de standpunten die daar zijn ingenomen. Desalniettemin, ook tegen de achtergrond dat geen enkel verweer is gevoerd, geldt dat de beslissing van het hof zal moeten voldoen aan de daaraan te stellen eisen.

4.Het derde middel

4.1
Het derde middel is gericht tegen de toewijzing van de materiële schade. Aangevoerd wordt dat reiskosten naar het politiebureau en ten behoeve van een gesprek met de officier van justitie niet zijn aan te merken als rechtstreekse schade in de zin van art. 361 Sv Pro en dus niet voor toewijzing in aanmerking komen.
4.2
In het verweerschrift wordt het middel namens de benadeelde partij tegengesproken. Gesteld wordt dat de vordering van de benadeelde partij ter zitting bij het hof door de verdediging niet gemotiveerd is betwist, zodat het middel geen doel treft. Voorts wordt betoogd dat reiskosten voor een bezoek aan het politiebureau kosten zijn die door de benadeelde partij zijn gemaakt om een gepleegd strafbaar feit aan het licht te brengen en daarmee wel zijn aan te merken als rechtstreekse schade (art. 6:96 lid 2 sub b BW Pro).
4.3
De benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de beantwoording van de vraag of zodanig verband bestaat zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. [13] Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van art. 6:98 BW Pro aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze schade kan bestaan uit vermogensschade en, voor zover de wet daarop aanspraak geeft, ander nadeel. Vermogensschade kan zowel geleden verlies als gederfde winst omvatten (art. 6:96, eerste lid, BW). Als vermogensschade komen ingevolge art. 6:96, tweede lid, sub b BW mede voor vergoeding in aanmerking redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, waaronder ook zijn begrepen de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt om het gepleegde strafbare feit aan het licht te brengen. [14]
4.4
De vordering van de benadeelde partij houdt in dat de reiskosten naar het politiebureau betrekking hebben op kosten die zijn gemaakt op 20 en 21 december 2018. Uit de stukken van het geding volgt dat op 20 december 2018 een verhoor van de benadeelde partij heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een melding over het versturen van naaktfoto’s. Op 21 december 2018 is namens de benadeelde partij aangifte gedaan van – kort gezegd – seksueel misbruik. [15] Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de door de benadeelde gemaakte reiskosten kosten zijn die zijn gemaakt om de gepleegde strafbare feiten aan het licht te brengen, althans voor het doen van aangifte, die in het onderhavige geval zijn aan te merken als rechtstreekse schade in de zin van art. 361 lid 2 onder Pro b Sv. Dat oordeel geeft mijns inziens, mede in het licht van art. 6:96 BW Pro niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, in aanmerking genomen dat ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij geen verweer is gevoerd, niet onbegrijpelijk. [16]
4.5
Ten aanzien van de overige reiskosten, die betrekking hebben op reiskosten die zijn gemaakt voor een gesprek met de officier van justitie op 4 februari 2020, ligt dat mijns inziens anders. Dit zijn geen redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96, tweede lid, onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Voor vergoeding van die kosten biedt de wet geen grondslag. [17] Over de toewijzing van de materiële schade in zoverre wordt dus terecht geklaagd.
4.6
Dit brengt mij tot de conclusie dat het middel slaagt voor zover dit betrekking heeft op de reiskosten die zijn gemaakt ten behoeve van een gesprek met de officier van justitie (€ 60,94). De Hoge Raad kan de zaak op dit punt zelf afdoen. De klacht over de aanvangsdatum van de wettelijke rente met betrekking tot deze schadepost laat ik gelet op het voorgaande rusten.

5.Het vierde middel

5.1
Het vierde middel heeft betrekking op de proceskostenveroordeling. Aangevoerd wordt dat reiskosten van de benadeelde partij naar de rechtbank en naar zijn advocaat niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat hij niet in persoon heeft geprocedeerd.
5.2
In het verweerschrift wordt het middel namens de benadeelde partij tegengesproken. Gesteld wordt dat de vordering van de benadeelde partij ter zitting bij het hof door de verdediging niet gemotiveerd is betwist, zodat het middel geen doel treft.
5.3
Art. 532 Sv Pro bevat een regeling voor de proceskosten bij voeging door de benadeelde partij. Bij de begroting van de daar bedoelde kosten wordt dezelfde maatstaf gehanteerd als in civiele procedures. Op grond van het bepaalde in art. 238 lid 2 Rv Pro bestaat in het geval een benadeelde partij is bijgestaan door een gemachtigde slechts ruimte voor een kostenvergoeding voor het salaris en noodzakelijke verschotten van de gemachtigde. Reiskosten komen op grond van art. 238 Rv Pro slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover in persoon — dat wil zeggen: zonder gemachtigde (advocaat) — wordt geprocedeerd. Dit geldt zowel voor reiskosten die zijn gemaakt om bij de zitting aanwezig te zijn als reiskosten ten behoeve van een bezoek aan een advocaat. [18]
5.4
De vordering van de benadeelde partij houdt in dat de gevorderde proceskosten betrekking hebben op reiskosten ten behoeve van twee bezoeken aan een advocaat (15 december 2019 en 22 januari 2020) en reiskosten ten behoeve van de zitting (in eerste aanleg) van 18 februari 2020. Om met dat laatste te beginnen: uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank kan worden afgeleid dat de benadeelde partij daar niet aanwezig was. Reeds om die reden is voor vergoeding daarvan geen plaats. Voor het overige geldt dat uit het processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en hoger beroep blijkt dat de benadeelde partij werd bijgestaan mr. R.J. Laatsman, advocaat te Oss, die eveneens als gemachtigde is opgetreden bij de indiening van het verzoek tot schadevergoeding dat zich bij de gedingstukken bevindt. Nu de benadeelde partij in de onderhavige zaak procedeerde middels een gemachtigd raadsman komen de reiskosten voor het bezoek aan de advocaat niet voor vergoeding als proceskosten in aanmerking. Dit betekent dat het hof de verdachte ten onrechte heeft veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 44,20.
5.5
Het middel slaagt. De Hoge Raad kan de zaak ook op dit punt zelf afdoen.

6.Het vijfde middel

6.1
Het middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden. Het cassatieberoep is ingesteld op 26 april 2024. De stukken van het geding zijn op 4 maart 2025 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden met meer dan een maand is overschreden.
6.2
Het middel slaagt.

7.Slotsom

7.1
Het eerste en tweede middel falen en kunnen met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan. Het derde, vierde en vijfde middel slagen.
7.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7.3
Deze conclusie strekt ertoe:
- het bestreden arrest te vernietigen, maar uitsluitend voor wat betreft 1) de hoogte van de opgelegde straf, 2) de beslissing op de vordering van de benadeelde partij voor zover deze is toegewezen tot een bedrag van € 1.830,81 en voor zover voor dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, en 3) de begroting van de proceskosten ten behoeve van de proceskostenveroordeling;
- 1) de straf te verminderen naar de gebruikelijke maatstaf, 2) te bepalen dat het bedrag waarvoor de vordering van de benadeelde partij is toegewezen € 1.769,87 (bestaande uit € 19,87 materiële schade en € 1.750 immateriële schade) bedraagt en dat de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd voor dat bedrag en te verklaren dat ten aanzien van deze schadevergoedingsmaatregel met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling van 27 dagen kan worden toegepast en de vordering van de benadeelde partij voor het overige af te wijzen, en 3) te bepalen dat de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken proceskosten tot betaling waarvan de verdachte is veroordeeld vooralsnog worden begroot op nihil,
- en het beroep voor het overige te verwerpen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Reclasseringsadvies van 22 augustus 2023, p. 3.
2.Proces-verbaal van de zitting van het hof van 4 april 2024, p. 7.
3.Proces-verbaal van de zitting van het hof van 4 april 2024, p. 8 en pleitnota, p. 7.
4.Zie hierover ook F.W. Bleichrodt & P.C. Vegter,
5.Tot 2012 kende de wet geen afzonderlijke grondslag voor het contactverbod als bijzondere voorwaarde. Bij de invoering van de voorwaardelijke veroordeling in 1915 heeft de wetgever met betrekking tot de bijzondere voorwaarden slechts voorzien in een ‘algemene’ grondslag voor het stellen van gedragsvoorwaarden (het huidige sub 14). In 2012 is, met het oog op de rechtszekerheid, de wettelijke verankering van bijzondere voorwaarden uitgebreid. Daarbij is, onder meer, in sub 5 een contactverbod opgenomen. Zie
6.Zie HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2981, waarin de voorwaarde “dat gedurende de proeftijd geen minderjarige meisjes, behoudens familieleden, aanwezig mogen zijn in de manege (...) van de veroordeelde” die toets niet doorstond.
7.Zie, uitgebreider, Conclusie A-G Bleichrodt 11 juli 2017, ECLI:NL:PHR:2017:919, randnrs. 14 en 15.
8.HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2392
9.De klacht dat de voorwaarde te onbepaald was slaagde wel. De Hoge Raad achtte (evenals A-G Bleichrodt) de door het hof gestelde bijzondere voorwaarde dat "de veroordeelde gedurende de proeftijd van drie jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [betrokkene 1] en [betrokkene 2], dan wel relaties van voornoemde personen" in strijd met art. 14 lid 2 sub Pro 14 Sr voor zover deze betrekking heeft op "relaties van voornoemde personen", omdat in zoverre in deze voorwaarde niet een voldoende precies gedragsvoorschrift is geformuleerd.
10.Waarbij ik opmerk dat [slachtoffer] blijkens het reclasseringsadvies zelf om een contactverbod heeft gevraagd, zodat niet aannemelijk lijkt dat hij contact met de verdachte zal willen.
11.Vgl. ook A-G Keulen in zijn conclusie van 26 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:520, randnr. 69. En zie over een op dezelfde wijze geformuleerd contactverbod (de veroordeelde zal op geen enkele wijze – direct of indirect – contact “opnemen, zoeken of hebben” met het slachtoffer) in het kader van art. 38v Sr de conclusie van A-G Aben van 11 maart 2025, ECLI:NL:PHR:2025:311, randnr. 25. In laatstgenoemde zaak wees de Hoge Raad op de formulering van 38v lid 2 sub b, waarin is bepaald dat maatregel kan inhouden dat de verdachte wordt bevolen “zich te onthouden van contact met een bepaalde persoon of bepaalde personen” en oordeelde dat het hof kennelijk heeft willen aansluiten bij die verplichting. Tot slot wijs ik nog op het in 2024 uitgebracht toezichtrapport van de Procureur-Generaal over de voorwaardelijke invrijheidstelling. Daarin wordt opgemerkt dat het contactverbod in de praktijk, en in het interne beleidsdocument van het OM, verschillend wordt geformuleerd. In sommige gevallen wordt ook het hebben van contact hierin verboden. In een van de afgenomen interviews merkt een secretaris van de Centrale Voorziening voorwaardelijke invrijheidstelling (Cvv.i.) hierover op dat het klopt dat een betrokkene bij een verbod contact te ‘hebben’ soms niets tegen een overtreding daarvan kan doen als hij of zij die persoon per ongeluk tegenkomt, maar dat de CVv.i. in zulke gevallen ‘ook wel geduld heeft’ en niet snel zal vorderen om te herroepen. Procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
12.De verdediging in eerste aanleg heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij blijkens het vonnis gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
13.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
14.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
15.Een blik over de papieren muur leert dat de melding slechts betrekking had op het versturen van naaktfoto’s. Het seksueel misbruik is voor het eerst door de benadeelde partij ter sprake gebracht. Daarmee verschilt de zaak van HR 21 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:662, waarin ‘slechts’ sprake was van een getuigenverhoor.
16.Vgl. HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7077 en HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:79.
17.Vgl. bijv. de aanvullende conclusie van A-G Hofstee van 7 maart 2023, ECLI:NL:PHR:2023:259, randnr. 2.6 (HR t.a.v middel BP: 81 lid 1 RO).
18.Zie onder meer HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:414,