Conclusie
Nummer20/02386
Inleiding
De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
1Als het e-mailbericht evenwel niet afkomstig is van een raadsman, maar van de verdachte zelf, zoals in deze zaak, ligt een strikte wetstoepassing niet in de rede als de verdachte van dat verzuim in redelijkheid geen verwijt kan worden gemaakt.
2
3De vereiste schriftelijke volmacht bevindt zich niet bij de stukken en uit de stukken blijkt niet dat de verdachte is benaderd met het verzoek de vereiste schriftelijke volmacht aan te leveren. Een aan de volmacht klevend gebrek, dient de verdachte daarmee niet te worden tegengeworpen. Om deze reden meen ik dat de verdachte in haar cassatieberoep kan worden ontvangen.
Door het gerechtshof gebezigde bewijsmiddelen
De verdachteverklaart op de vragen van de voorzitter, zakelijk weergegeven:
Titel IIIavan het Eerste Boek is, met uitzondering van
artikel 51f, eerste tot en met derde lid,van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de ingevolge
artikel 51gvereiste opgave kan worden volstaan met een verwijzing naar de opgave van de eerste vordering, indien deze ongewijzigd is gebleven.”
4Ter terechtzitting van het hof van 6 juli 2020 is de verdachte verschenen. Uit het proces-verbaal dat van deze terechtzitting is opgemaakt, blijkt dat de voorzitter daar heeft opgemerkt dat de benadeelde partij was verschenen op de eerdere terechtzitting van het hof van 23 januari 2020 – waar de verdachte niet was verschenen – en dat de benadeelde partij daar haar vordering heeft gehandhaafd. Gelet op het voorgaande moet ervan worden uitgegaan dat de verdachte bij de behandeling van haar zaak in hoger beroep bekend was met de inhoud van de vordering van de benadeelde partij. Aan de bekendheid met de inhoud van de vordering van de benadeelde partij en het ontbreken van enig bezwaar tegen die vordering, doet niet af dat de verdachte in eerste aanleg en in hoger beroep niet door een rechtsgeleerd raadsman werd bijgestaan. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt gegeven dat als de verdachte de vordering niet (gemotiveerd) betwist, de rechter zal uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten en de vordering in de regel zal worden toegewezen.
5
6Gelet hierop is in hoger beroep de totaal gevorderde vergoeding van schade, te weten een bedrag van € 266,79, niet verhoogd. Het hof heeft deze vergoeding volledig toegekend, maar wel ten dele anders gekwalificeerd. Dit past bij de taak van de rechter om ervoor te zorgen dat “zowel de materiële, civielrechtelijke voorschriften als de processuele regels en waarborgen die gelden bij de beoordeling van een vordering van een benadeelde partij in acht worden genomen”.
7
8Van een benadeelde partij mag niet zonder meer worden verwacht dat zij op het formulier “Verzoek tot Schadevergoeding” de schadeposten bij het juiste onderdeel van het formulier onder 4A of 4B invult of een en ander foutloos doet.
9Zoals ik bij randnummer 28 heb weergegeven, moet ervan worden uitgegaan dat de verdachte bij de behandeling van de zaak in hoger beroep, bekend was met de vordering van de benadeelde partij. Dat geldt ook voor de daarin opgenomen kostenposten. Daaruit mag worden afgeleid dat de verdachte ter terechtzitting de gelegenheid heeft gehad in te gaan op de achtergrond, inhoud en grondslag van de vordering van de benadeelde partij en op het door de advocaat-generaal over de vordering van de benadeelde partij ingenomen standpunt,
10in ieder geval bij de aan haar gegeven gelegenheid het laatst te spreken. In cassatie is niet aangevoerd dat de verdachte onvoldoende in de gelegenheid is geweest verweer tegen de vordering te voeren. De essentie van de vordering van de benadeelde partij is niet de kwalificatie. maar de inhoud van de kostenposten en de hoogte van de in verband daarmee gevorderde schade.