Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
31 mei 2022.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag over de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens het niet tijdig indienen van een klacht als bedoeld in artikel 66 lid 1 Sr Pro bij het misdrijf belaging (art. 285b Sr).
De verdachte werd verdacht van belaging over een periode van november 2013 tot november 2019. De klacht werd pas in maart 2020 ingediend, terwijl de klachttermijn volgens de wet drie maanden bedraagt na kennisname van het feit. De verdediging stelde dat het OM niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens het ontbreken van een tijdige klacht.
Het hof verwierp dit verweer met de overweging dat het overduidelijk was dat het slachtoffer vervolging wenste, maar deed geen concrete vaststellingen ter onderbouwing hiervan. De Hoge Raad oordeelt dat deze motivering ontoereikend is, omdat niet is vastgesteld dat aan het klachtvereiste is voldaan, bijvoorbeeld door eerdere uitingen van de wens tot vervolging binnen de termijn.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling en afdoening. De overige cassatiemiddelen behoeven geen bespreking.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting wegens onvoldoende motivering over het klachttermijnvereiste.