Conclusie
Nummer22/04645
Inleiding
Het middel
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging
de factoneerkomt op het buiten werking stellen van de klachttermijn. [16]
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor verduistering en diefstal gepleegd met gebruik van een valse sleutel en een pinpas van het slachtoffer, haar geregistreerd partner van de kleinzoon van het slachtoffer. Het hof legde een taakstraf op en een schadevergoedingsmaatregel.
In cassatie werd betoogd dat niet aan het klachtvereiste was voldaan, omdat geen tijdige klacht was ingediend door het slachtoffer, een vereiste bij relatieve klachtdelicten zoals verduistering en diefstal wanneer de verdachte een aanverwant is. Het hof had echter geoordeeld dat het openbaar ministerie ontvankelijk was, omdat uit het dossier bleek dat het slachtoffer de vervolging wenste en de politie de aangeefster niet correct had geïnformeerd over de formaliteiten.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof dit oordeel niet onbegrijpelijk heeft gemotiveerd en dat de wens tot vervolging binnen de klachttermijn bestond. Wel wijst de Hoge Raad op het belang van de klachttermijn en de bescherming van de verdachte, maar acht in deze zaak de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding tot strafvermindering. De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest voor zover het de strafoplegging betreft en tot vermindering daarvan, het middel wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor de strafoplegging en verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn; het middel over het klachtvereiste wordt verworpen.