Conclusie
Nummer21/04444
eerstemiddel bevat de klacht dat het oordeel van het hof met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 5 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat de respectieve aangevers telkens niet binnen de wettelijke klachttermijn van drie maanden klacht hebben gedaan en evenmin binnen die termijn van drie maanden is gebleken dat de betreffende aangevers de vervolging van de verdachte wensten. De uitleg en de toepassing die het hof aan artikel 66, eerste lid, Sr heeft gegeven, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is onbegrijpelijk, aldus de steller van het middel.
primair en subsidiair
meer subsidiair
als verklaring van aangever [benadeelde 1] :
als verklaring van aangever [benadeelde 2] afgelegd op 24 april 2014:
als relaas van verbalisant [verbalisant] :
als verklaring van aangever [benadeelde 3] afgelegd op 12 juni 2014:
als verklaring van aangever [benadeelde 4] afgelegd op 17 juni 2014:
als relaas van verbalisant [verbalisant]
stelselmatigopzettelijk inbreuk maken op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen (art. 285b Sr). Daarbij is juist het ‘opbouwend’ effect van die verschillende gedragingen bepalend voor de strafbaarheid en voor de ernst van de belaging. [8] Dat maakt het begrijpelijk dat de aangevers tot drie maanden na de datum tot welke de belaging naar hun – oprechte – overtuiging voortduurde een klacht konden indienen die meebracht dat de belagingsgedragingen in een langere voorafgaande periode (dan drie maanden) aan het oordeel van de strafrechter onderworpen waren.
of enige andere feitelijkheidof door bedreiging met geweld
of enige andere feitelijkheid, gericht hetzij tegen die ander hetzij tegen derden’, wederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden’ (
cursivering BFK). Veel duidelijkheid over de betekenis van het nieuw toegevoegde begrip ‘feitelijkheid’ werd tijdens die parlementaire behandeling niet gecreëerd. Lindenberg stelt dat de vraag welke gedragingen volgens de wetgever precies aan het bestanddeel ‘feitelijkheid’ beantwoorden ‘in vrijwel elke richting te beantwoorden’ is. [19] Het begrip ‘feitelijkheid’ werd later ook aan de delictsomschrijvingen van de artikelen 242 en 246 Sr toegevoegd. [20]
Stb.2013, 95). Bij deze wet is de maximale gevangenisstraf die op het misdrijf van art. 284 Sr Pro is gesteld verhoogd van negen maanden naar twee jaren. De memorie van toelichting bij genoemd wetsvoorstel hield onder meer het volgende in: [25]
tweedemiddel bevat de klacht dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.