Conclusie
Nummer21/00122
belaging”, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft het hof twee vrijheidsbeperkende maatregelen opgelegd en die maatregelen dadelijk uitvoerbaar verklaard. Tot slot heeft het hof een beslissing genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.
Ik wil hierbij aangifte doen van stalking tegen mijn ex-partner [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1948 te [geboorteplaats] . De kwaliteit van mijn leven is door toedoen van [verdachte] ernstig aangetast. Ik heb in totaal al zeker vijfmaal aangifte gedaan van stalking.
De bespreking van het middel
een wettelijk zwaard” in handen wordt gegeven, “
waarvan hij jaren lang, gedurende den geheelen verjaringstermijn, gebruik zoude kunnen maken”. Voorts werd het maatschappelijk belang bij een spoedige vervolging als reden genoemd: “
het mag dus niet aan de willekeur van den tot klagte geregtigde worden overgelaten, het instellen der publieke actie tot de uiterste grens van den verjaringstermijn op te houden”. [1]
tijdigeen klacht als bedoeld in artikel 66 lid 1 Sr Pro is gedaan.
NJ2019/297 m.n.t. Rozemond, en HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1677,
NJ2020/412, heeft de Hoge Raad ten aanzien van de klachttermijn onder meer het volgende overwogen:
Vooropgesteld moet worden dat naar geldend recht de klachtgerechtigde bij een delict als het onderhavige zijn bevoegdheid slechts gedurende de in de wet genoemde klachttermijn kan uitoefenen. In zoverre is zijn macht om te bepalen of de verdachte wordt vervolgd, in de tijd begrensd. Dat betekent dat in het geval dat voor het instellen van een vervolging een klacht is vereist en de klacht niet is ingediend binnen drie maanden nadat de klachtgerechtigde heeft kennis genomen van het gepleegde delict, de vervolging daarop afstuit. Ingeval de klacht weliswaar niet voldoet aan alle formele wettelijke eisen of niet is ingediend bij de bevoegde ambtenaar, maar vaststaat dat de klachtgerechtigde de vervolging heeft gewenst, zal van die wens binnen die termijn van drie maanden moeten zijn gebleken.”
NJ2018/311 m.nt. Kooijmans, kan worden afgeleid dat in geval van belaging de termijn waarbinnen een klacht moet worden ingediend enigszins flexibel is. Dit houdt verband met de aard van het delict; belaging is pas voltooid wanneer gedurende een bepaalde periode inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de klachtgerechtigde. Mijn voormalig ambtgenoot Bleichrodt betoogde voorafgaand aan dat arrest dat de termijn waarbinnen een klacht moet worden ingediend bij een voortdurend delict als belaging niet eerder aanvangt dan wanneer de klachtgerechtigde kennis draagt van beëindiging van het delict. In de onderliggende zaak strekte de ten laste gelegde periode zich uit van 27 augustus 2009 tot en met 1 juli 2014, de bewezen verklaarde periode slechts van 27 augustus 2009 tot en met 10 december 2012. De aangevers deden op 1 juli 2014 respectievelijk 11 juli 2014 aangifte met expliciete wens tot vervolging. Het hof oordeelde dat sprake was van een tijdig ingediende klacht als bedoeld in artikel 66 lid 1 Sr Pro. De Hoge Raad liet dit oordeel in stand en overwoog:
Het Hof heeft vastgesteld dat de aangevers [betrokkene 2] en [betrokkene 1] ten tijde van het doen van de aangifte op 1 juli 2014 respectievelijk 11 juli 2014 de overtuiging hebben uitgesproken dat de belaging tot op de datum van het doen van aangifte voortduurde en dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden waaruit zou moeten blijken dat aangevers in hun aangifte bewust en in strijd met de waarheid een onjuiste einddatum van de belaging hebben vermeld. Het op die vaststellingen gebaseerde oordeel dat tijdig een klacht is ingediend getuigt, mede gelet op de aard van het onderhavige delict, niet van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 66, eerste lid, Sr, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.”
het overduidelijk is dat het slachtoffer, [slachtoffer] vervolging wenst”
.Het hof heeft echter geen feiten en omstandigheden vastgesteld waaruit blijkt dat de wens tot vervolging van het slachtoffer ook binnen de klachttermijn tot uitdrukking is gekomen en daarmee aan de voorwaarden voor toelaatbaarheid van de vervolging is voldaan. Mede in het licht van het door de verdediging gevoerde verweer is het oordeel van het hof dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging dan ook niet zonder meer begrijpelijk.