ECLI:NL:HR:2022:973

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 juli 2022
Publicatiedatum
30 juni 2022
Zaaknummer
20/01414
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 5 Belastingverdrag Nederland-MaltaArt. 21 lid 1 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 20b lid 3 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitleg remittancebepaling in Belastingverdrag Nederland-Malta

Belanghebbende, een Maltese vennootschap, stelde zich in hoger beroep en cassatie op het standpunt dat de remittancebepaling in artikel 2, lid 5, van het Belastingverdrag Nederland-Malta niet van toepassing was op bepaalde vermogenswinsten en dat deze bepaling uitsluitend betrekking had op Nederlandse broninkomsten. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch verwierp deze stellingen en oordeelde dat de bepaling ook ziet op inkomensbestanddelen waarvoor een onverkorte toewijzingsregel geldt en dat vermogenswinsten onder de term "bepaalde inkomsten" vallen.

De Hoge Raad sluit zich aan bij het oordeel van het hof en verwijst naar een eerder arrest waarin deze interpretatie is bevestigd. De overige middelen van belanghebbende slagen niet, en de Hoge Raad ziet geen aanleiding om de proceskosten aan belanghebbende toe te wijzen.

Het arrest bevestigt de uitleg van de remittancebepaling en onderstreept dat deze ook van toepassing is op vermogenswinsten en niet beperkt is tot Nederlandse broninkomsten. Hierdoor blijft de navorderingsaanslag en de boetebeschikking in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de navorderingsaanslag en boetebeschikking.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/01414
Datum1 juli 2022
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z], Malta, (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 13 maart 2020, nrs. 19/00142 tot en met 19/00144 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 17/5710 tot en met 17/5712) betreffende een ten aanzien van belanghebbende voor het jaar 2011 gegeven beschikking als bedoeld in artikel 21, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, een aan belanghebbende over het jaar 2012 opgelegde navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting, de daarbij gegeven beschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 3, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, en de aan belanghebbende voor het jaar 2013 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door W.M. Dekker, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 3 november 2020 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

2.1
Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat artikel 2, lid 5, van het Belastingverdrag Nederland-Malta [3] (hierna: het Verdrag) ook ziet op inkomensbestanddelen waarvoor in het Verdrag “een onverkorte toewijzingsregel” is opgenomen en dat deze bepaling niet uitsluitend betrekking heeft op (Nederlandse) broninkomsten. Tevens heeft het Hof de stelling van belanghebbende verworpen dat de in deze bepaling gebruikte term “bepaalde inkomsten” niet vermogenswinsten omvat.
2.2
Voor zover middel 3 zich richt tegen de hiervoor in 2.1 weergegeven oordelen van het Hof, faalt het op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 2.3.2, 2.3.3 en 2.4 van het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 20/03826, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
2.3
De middelen voor het overige kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de middelen voor het overige is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, E.F. Faase, P.A.G.M. Cools en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2022.

Voetnoten

3.Overeenkomst van 18 mei 1977, Trb. 1977, 82, zoals laatstelijk gewijzigd bij Protocol van 18 juli 1995, Trb. 1995, 224.