ECLI:NL:HR:2022:976
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslagen dividend- en vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een B.V., was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over naheffingsaanslagen dividendbelasting en navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2011 en 2012, inclusief heffingsrente en belastingrente. Na een uitspraak van de Rechtbank Den Haag werd hoger beroep ingesteld door de Inspecteur bij het Gerechtshof Den Haag, dat op 24 juni 2020 uitspraak deed.
Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad tegen het arrest van het Hof. De Advocaat-Generaal adviseerde het beroep ongegrond te verklaren. De Hoge Raad heeft de middelen van belanghebbende beoordeeld maar vond geen aanleiding tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet, omdat de zaak geen vragen bevat die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De Hoge Raad heeft geen proceskosten opgelegd en verklaarde het cassatieberoep van belanghebbende ongegrond. Hiermee blijft het arrest van het Gerechtshof Den Haag in stand, en worden de aanslagen en beschikkingen van de Staatssecretaris bevestigd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende is ongegrond verklaard, waarmee het arrest van het Gerechtshof Den Haag in stand blijft.