Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beoordeling van het cassatiemiddel voor het overige
4.Beslissing
19 september 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die wordt verdacht van het niet meewerken aan een ademonderzoek op 24 april 2019 in Rotterdam, in strijd met artikel 163, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994. Het hof Den Haag verklaarde de verdachte schuldig en wees een voorwaardelijk verzoek tot het horen van de verbalisant als getuige af. Het hof motiveerde dit met het oordeel dat het horen van de verbalisant geen toegevoegde waarde zou hebben omdat deze tot vijfmaal toe had geprobeerd medewerking te verkrijgen.
De verdediging betwistte dat er een bevel was gegeven en wilde de verbalisant horen over de precieze bewoordingen en omstandigheden. De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie uit eerdere arresten (HR:2021:576 en HR:2021:1930) dat het belang bij het horen van een getuige met een belastende verklaring moet worden voorondersteld als de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat het horen van de verbalisant geen belang zou hebben, temeer daar de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen en de precieze woordkeuze relevant is voor de bewijsvoering. Daarom wordt het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof Den Haag voor een nieuwe behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling.