Conclusie
1.Het cassatieberoep
bevolenmedewerking te verlenen aan een ademonderzoek” (cursivering van mij, A-G). De tweede deelklacht keert zich met een rechts- en een motiveringsklacht tegen de afwijzing door het hof van het (voorwaardelijke) verzoek tot het horen van een politieambtenaar als getuige.
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen, pleitnotities raadsvrouw, proces-verbaal van terechtzitting in hoger beroep en (bewijs)overwegingen
Een proces-verbaal van bevindingend.d. 24 april 2019 van de politie Rotterdam met nr. PL1700-2019121857-7. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
het hof begrijpt: waarvan de bestuurder) vermoedelijk onder invloed van alcohol zou zijn. Hierop ben ik naar de opgegeven locatie gereden. Ik zag een klein rood voertuig mij van voren nadere. Ik zag dat de bestuurder van het voertuig zijn handrem gebruikte om een plotselinge en ongecontroleerde draai met zijn voertuig te maken. Ik zag dat de bestuurder en de bijrijder zeer wild met hun armen zwaaide. Ik zag dat de bestuurder bij elk voertuig wat hem passeerde zijn voertuig deed stoppen en hierna zeer luid uit het raam riep. Hierop gaf ik de bestuurder een stopteken. Ik ben hierop naar de bestuurder gelopen en vorderde een geldig rijbewijs. Ik zag dat de bestuurder mij een rijbewijs overhandigde met de volgende gegevens: [verdachte] . Ik rook direct een zeer penetrante alcohol lucht uit de mond van [verdachte] . Ik vorderde de medewerking van een tijdelijke ademanalyse. Ik zag dat [verdachte] hier gehoor aan gaf. Ik zag dat de uitslag een F indicatie was. Hierop hield ik verdachte [verdachte] aan ter zake het rijden onder invloed. Ik zag en merkte dat [verdachte] niet wenste mee te werken na zijn aanhouding. Ik bemerkte dat [verdachte] zijn arm terug trok. Hierna ontstond een korte worsteling welke op de grond eindigde. Ik hoorde dat [verdachte] mij, verbalisant, meermaals met een dubbele tong, uitschold. Eenmaal ingesloten in een tijdelijk arrestantenverblijf bleef [verdachte] onverstaanbaar schreeuwen. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , heb tot vijf keer toe gevraagd of verdachte [verdachte] wenste mee te werken aan een ademanalyse. [verdachte] reageerde constant met luid en onverstaanbaar geschreeuw.
Een proces-verbaal van bevindingend.d. 24 april 2019 van verbalisant [verbalisant 2] van de politie Rotterdam met nr. PL1700-2019121857-11. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
Een proces-verbaal van bevindingend.d. 24 april 2019 van verbalisant [verbalisant 3] van de politie Rotterdam met nr. PL1700-2019121857-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven-:
Een proces-verbaal van bevindingend.d. 14 augustus 2019 van de politie Rotterdam met nr. PL1700-2019121857-14. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
De verdachteheeft ter terechtzitting in hoger beroep van 21 december 2021 verklaard -zakelijk weergegeven-:
Een proces-verbaalter zake artikel 8 WVW Pro 1994 d.d. 24 april 2019 van de politie Rotterdam met nr. 240420192011120921. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
'tot 5 keer toe [heeft] gevraagd of verdachte [verdachte] wenste mee te werken aan een ademanalyse'.
vragenof iemand wenst mee te werken aan een ademanalyse kan echter niet worden aangemerkt als een
beveltot medewerking aan die ademanalyse. Nu slechts het weigeren van het verlenen van medewerking aan dit bevel strafbaar is, dient cliënt te worden vrijgesproken.
U zegt mij dat het in deze zaak moet gaan over wat er daarna gebeurd is. U houdt mij voor dat de agent zegt dat mij is bevolen mee te werken aan een ademtest. U zegt mij dat ik eerder heb verklaard dat dat niet klopt omdat ik wel had meegewerkt als hij dat zou hebben bevolen. Dat klopt. Ik heb altijd meegewerkt met de ademtest, waarom zou ik nu opeens niet meewerken? Toen ik die F-indicatie blies heb ik ook meegewerkt.[…]
. U zegt mij dat [verbalisant 1] heeft opgeschreven dat hij tot vijf keer toe mij heeft gevraagd of ik wilde meewerken met een ademanalyse. Dat is mij niet bevolen, dat lijkt me heel sterk.
Mij is geen een keer gevraagd om te blazen. Ik vond dat ook nog heel raar, de agenten lieten me vrij zonder dat ik een blaastest had gedaan.[…]
Ik vond het raar toen ik wegging dat ik niet hoefde te blazen. Die agent verandert zijn verklaring ook de hele tijd, vijf dagen voor de zitting bij de rechtbank veranderde hij opeens zijn verklaring.
Ik handhaaf daarom mijn voorwaardelijke verzoek.”
Nadere bewijsoverweging
3.Bespreking van het middel
De tweede deelklacht
NJ2021/173, m.nt. Reijntjes bijgesteld (rov. 2.9.2 en 2.9.3). Die bijstelling houdt kort gezegd in dat het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld als het gaat om een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. In dat geval mag van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang worden verwacht. Art. 6 EVRM Pro verzet zich er evenwel niet tegen dat de rechter het verzoek afwijst als het oproepen en horen van een getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig is (“manifestly irrelevant or redundant”). De rechter kan het verzoek om zo’n getuige op te roepen en te horen afwijzen ingeval hij tot het oordeel komt dat het opnieuw horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.
manifestly irrelevant or redundant”) is.
Art. 8, eerste lid en tweede lid aanhef en onderdeel a, WVW 1994:
Art. 163, eerste en tweede lid, WVW 1994:
gevraagd, maar heeft
bevolenmee te werken aan een ademanalyse tot het bewijs gebezigd (bewijsmiddel 4). Het hof heeft daarnaast in zijn arrest nog eens de inhoud van dit proces-verbaal aangehaald onder het kopje “
Feiten”. Uit zijn nadere bewijsoverweging leid ik niettemin af dat het hof (toch) niet helemaal ervan overtuigd is, en als vaststaand heeft aangenomen, dat verbalisant [verbalisant 1] de verdachte vijfmaal in zoveel woorden heeft
bevolenzijn medewerking te verlenen aan een ademanalyse. Het hof heeft in zijn nadere bewijsoverweging immers overwogen dat voor de toepasselijkheid van art. 163 WVW Pro 1994 niet doorslaggevend is welke bewoordingen precies zijn gebruikt, maar dat sprake moet zijn geweest van een voor de verdachte kenbare opdracht waaraan hij verplicht is gevolg te geven. Het hof is kennelijk van oordeel dat het (vijfmaal)
vragendoor verbalisant [verbalisant 1] aan de verdachte of hij wenste mee te werken aan een ademanalyse gelet op de situatie waarin dit geschiedde – te weten nadat de verdachte was aangehouden op verdenking van het rijden onder invloed en was overgebracht naar een politiebureau, en het voor hem duidelijk was dat hij mee moest voor een nadere ademanalyse – een bevel in de zin van art. 163, eerste lid, WVW 1994 oplevert.
gevorderdzijn medewerking daaraan te verlenen, en de verdachte blijkens zijn verklaring dat hij “moest” blazen ook heel goed begreep dat die vordering allesbehalve een vrijblijvend verzoek tot medewerking was. Weliswaar is ‘vordering’ niet helemaal gelijk te stellen aan ‘bevel’, maar dat neemt niet weg dat – in de woorden van Bleichrodt – “in beide gevallen een verplichting [bestaat] daaraan gevolg te geven”. [12] Daarvan is geen sprake bij de enkele ‘vraag of iemand wenst mee te werken’. Een dergelijke vraag – hetzelfde geldt in het algemeen ook voor een verzoek – heeft naar zijn aard geen verplichtend karakter.
NJ2006/564, m.nt. Reijntjes. Blijkens de in die zaak voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen was door de betrokken opsporingsambtenaar aan de verdachte gevraagd zijn medewerking aan het bedoelde onderzoek te verlenen, waarna de verdachte vrijwillig was meegegaan naar het politiebureau, waar aan de verdachte vervolgens door de opsporingsambtenaar was verzocht 'even te blijven wachten'. Zulke verzoeken scheppen voor de verdachte nog niet de verplichting zijn medewerking aan de voorgenomen ademanalyse te verlenen, aldus de Hoge Raad. Bovendien blijkt in de onderhavige zaak – anders dan in het voormelde arrest van 10 maart 2020 – niet uit de verklaring van de verdachte dat hem nochtans duidelijk was dat van hem dwingend zijn medewerking aan de ademanalyse werd verlangd. De verdachte in de onderhavige zaak heeft namelijk verklaard dat hem geen bevel is gegeven en als hem wel was bevolen mee te werken aan een ademanalyse hij die medewerking had verleend. Daarbij zij nog opgemerkt dat door de raadsvrouw van de verdachte in hoger beroep expliciet het verweer is gevoerd dat aan de verdachte niet een in art. 163, eerste lid, WVW 1994 bedoeld bevel is gegeven, maar hem enkel is gevraagd of hij wenste mee te werken aan een ademanalyse.
NJ2006/564, m.nt. Reijntjes: “Een verdachte aan wie zo een bevel niet is gegeven is niet verplicht om mee te werken. Ook hier geldt dan dat de systematiek van art. 163 WVW Pro 1994 zal worden doorkruist als verplichtingen zouden kunnen ontstaan voor een verdachte bestuurder, zonder dat een bevel aan hem is gegeven, maar op het moment dat de ambtenaar handelingen onderneemt die uiteindelijk tot een ademanalyse moeten leiden. Dan zou immers via de band van art. 184 Sr Pro een verplichting op verdachte komen te rusten tot medewerking buiten de procedure om die de wetgever speciaal daarvoor heeft gecreëerd”.