ECLI:NL:HR:2023:1160

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 september 2023
Publicatiedatum
7 september 2023
Zaaknummer
20/04306
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9, lid 2, letter b, Wet OBpost a.6 van Tabel I behorend bij Wet OBArt. 98 BTW-richtlijn 2006
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ongerechtvaardigd beroep in cassatie inzake omzetbelastingtarief geneesmiddelen en medische hulpmiddelen

Belanghebbende, een fiscale eenheid, stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag inzake een naheffingsaanslag omzetbelasting over maart 2018 en geweigerde teruggaafverzoeken. De zaak betrof het verschil in omzetbelastingtarief tussen geneesmiddelen en medische hulpmiddelen, waarbij het onderscheid gebaseerd is op het al dan niet beschikken over een handelsvergunning volgens de Geneesmiddelenwet.

De Advocaat-Generaal concludeerde tot gegrondverklaring van het cassatieberoep, maar de Hoge Raad volgde deze conclusie niet. De Hoge Raad verwees naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2023:1124) waarin de gronden voor afwijzing van het beroep uitvoerig zijn behandeld.

De Hoge Raad oordeelde dat het wettelijke onderscheid en het toegepaste omzetbelastingtarief in overeenstemming zijn met het beginsel van fiscale neutraliteit en de relevante bepalingen van de Wet OB en de BTW-richtlijn. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag omzetbelasting blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/04306
Datum8 september 2023
ARREST
in de zaak van
de fiscale eenheid [X2] C.S. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 19 november 2020, nrs. BK-20/00513 tot en met BK-20/00515, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 19/3438 tot en met SGR 19/3440) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 maart 2018 tot en met 31 maart 2018 en ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen op verzoeken om teruggaaf van omzetbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door W.J.G.M. Hundscheid, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 30 juni 2022 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. [1]
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 20/04304, ECLI:NL:HR:2023:1124.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.W.C. Feteris, M.A. Fierstra en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2023.