Uitspraak
2.Beoordeling van het verzoek
3.Proceskosten en griffierecht
Tevens dient aan belanghebbende het voor deze zaak betaalde griffierecht te worden vergoed. [2]
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 6 oktober 2023 een aanvullend arrest gewezen op het eerdere arrest van 8 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1124). Dit betreft een verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure, dat eerder niet in behandeling was genomen.
De Hoge Raad stelt vast dat de cassatieprocedure sinds 22 december 2020 heeft geduurd en dat de termijnoverschrijding meer dan zes maar minder dan twaalf maanden bedraagt. Daarom is belanghebbende gerechtigd tot een vergoeding van immateriële schade. Gelet op de samenhang met een andere zaak met vergelijkbare rechtsvragen, wordt de vergoeding gematigd tot € 500, de helft van het standaardbedrag van € 1.000.
Daarnaast veroordeelt de Hoge Raad de Staat tot vergoeding van de proceskosten, waaronder het griffierecht van € 532 en de helft van de kosten voor rechtsbijstand (€ 1.412,50). Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2023.
Uitkomst: Belanghebbende krijgt een gematigde vergoeding van € 500 immateriële schade, griffierecht en proceskosten vergoed.