Uitspraak
2.Beoordeling van het verzoek
3.Proceskosten en griffierecht
Tevens dient aan belanghebbende het voor deze zaak betaalde griffierecht te worden vergoed. [2]
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 6 oktober 2023 een aanvullend arrest gewezen op het eerdere arrest van 8 september 2023. Belanghebbende had op 25 augustus 2023 een verzoek ingediend om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure, maar dit verzoek was niet direct behandeld. De Hoge Raad besloot dit verzoek alsnog te beoordelen en toe te wijzen.
De cassatieprocedure was gestart op 22 december 2020 en de duur tot het arrest van 8 september 2023 overschreed de redelijke termijn met meer dan zes maar minder dan twaalf maanden. Daarom is belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toegekend. De Hoge Raad matigde de vergoeding tot €500 vanwege de gezamenlijke behandeling van een vergelijkbare zaak met dezelfde rechtsvragen, wat de spanning en onzekerheid voor belanghebbende heeft verminderd.
Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad de Staat tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €532 en tot betaling van de helft van de proceskosten van €2.825, zijnde €1.412,50, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit arrest verduidelijkt en vult het eerdere arrest aan en bevestigt het recht op vergoeding bij termijnoverschrijding in cassatieprocedures.
Uitkomst: Belanghebbende ontvangt een gematigde vergoeding van €500 immateriële schade, griffierecht en proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure.