ECLI:NL:HR:2023:1271
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling overschrijding redelijke termijn bij invorderingsrente in hoger beroep
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over een beschikking inzake invorderingsrente. Het Hof had vastgesteld dat de redelijke termijn voor behandeling van het hoger beroep met vijf maanden was overschreden, maar verlengde deze termijn met acht maanden vanwege bijzondere omstandigheden: het wangedrag van de gemachtigde en de coronapandemie.
De Hoge Raad verwierp het middel dat zich richtte tegen de weigering van vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De verlenging vanwege het wangedrag van de gemachtigde werd bevestigd, maar de verlenging wegens de coronapandemie werd onterecht geacht omdat partijen niet waren uitgenodigd voor een zitting in de periode van sluiting van gerechtsgebouwen.
De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn met één maand was overschreden. Gezien het zeer geringe financiële belang van de procedure (slechts € 2 aan invorderingsrente), is het voldoende om de overschrijding vast te stellen zonder vergoeding toe te kennen. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot vergoeding wegens het geringe financiële belang.