ECLI:NL:HR:2023:1388

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 oktober 2023
Publicatiedatum
5 oktober 2023
Zaaknummer
22/03447
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 AwbArt. 29 AWRArt. 29e AWRArt. 80a Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
8 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing en niet-ontvankelijkheid verzoek tot herziening van Hoge Raad arresten

Belanghebbende heeft een verzoek tot herziening ingediend van twee arresten van de Hoge Raad, te weten van 1 oktober 2021 en 16 september 2022. Het eerdere verzoek tot herziening van het arrest van 1 oktober 2021 was reeds niet-ontvankelijk verklaard bij het arrest van 16 september 2022.

De Hoge Raad overweegt dat een verzoek tot herziening van een arrest dat zelf is gewezen op een verzoek tot herziening niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daarnaast stelt de Hoge Raad dat herziening slechts mogelijk is op grond van feiten of omstandigheden die vóór het arrest hebben plaatsgevonden en die bij de indiener niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn. Het huidige verzoek bevat geen nieuwe feiten die aan deze criteria voldoen.

Daarom wijst de Hoge Raad het verzoek tot herziening af voor zover het betrekking heeft op het arrest van 1 oktober 2021 en verklaart het verzoek niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op het arrest van 16 september 2022. Er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Verzoek tot herziening afgewezen voor arrest 1 oktober 2021 en niet-ontvankelijk verklaard voor arrest 16 september 2022.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/03447
Datum6 oktober 2023
ARREST
op het door [X] (hierna: belanghebbende) ingediende verzoek om herziening van de arresten van de Hoge Raad der Nederlanden van 1 oktober 2021, nr. 20/01396 [1] , en van 16 september 2022, nr. 21/04162 [2] .

1.De arresten waarvan herziening is verzocht

Bij arrest van 16 september 2022, nr. 21/04162, heeft de Hoge Raad het verzoek van belanghebbende om herziening van zijn arrest van 1 oktober 2021, nr. 20/01396, met toepassing van artikel 80a Wet op de rechterlijke organisatie niet-ontvankelijk verklaard.
Vervolgens heeft belanghebbende opnieuw een verzoek om herziening ingediend. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht.

2.Beoordeling van het verzoek om herziening

2.1
Belanghebbende heeft na het indienen van het verzoek om herziening een verzoek om wraking ingediend. Bij beslissing van 29 augustus 2023, nr. 23/02573 [3] , heeft de Hoge Raad het verzoek om wraking buiten behandeling gesteld en bepaald dat een volgend verzoek om wraking met betrekking tot de zaak met nr. 22/03447 niet in behandeling zal worden genomen.
2.2
Met betrekking tot het verzoek om herziening overweegt de Hoge Raad als volgt.
2.3
Voor zover het verzoek van belanghebbende aldus moet worden opgevat dat hij verzoekt om herziening van het arrest van de Hoge Raad van 16 september 2022, waarbij zijn eerder gedane verzoek om herziening van het arrest van 1 oktober 2021 niet-ontvankelijk is verklaard, heeft het volgende te gelden.
Volgens artikel 29 AWR Pro in samenhang gelezen met artikel 8:119 Awb Pro kan van een arrest van de Hoge Raad als bedoeld in artikel 29e AWR herziening worden gevraagd op grond van feiten of omstandigheden die tot een ander arrest hadden kunnen leiden als bedoeld in artikel 8:119, lid 1, Awb. Zelfs indien sprake zou zijn van dergelijke feiten of omstandigheden, heeft het daarom geen zin om met een beroep daarop te verzoeken om herziening van een arrest dat is gewezen op een verzoek om herziening. Een dergelijk verzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard. [4]
2.4
Voor zover het verzoek van belanghebbende aldus moet worden opgevat dat hij opnieuw verzoekt om herziening van het arrest van de Hoge Raad van 1 oktober 2021, heeft het volgende te gelden.
Als grond voor herziening van een arrest van de Hoge Raad als bedoeld in artikel 29e AWR kunnen op grond van artikel 29 van Pro die wet in samenhang gelezen met artikel 8:119, lid 1, Awb slechts dienen feiten of omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór dat arrest, die tevens bij de indiener van het verzoekschrift om herziening vóór dat arrest niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en die voorts, waren zij bij de Hoge Raad eerder bekend geweest, tot een ander arrest zouden hebben kunnen leiden.
Het huidige verzoek om herziening behelst geen feiten of omstandigheden als hiervóór bedoeld. Het gaat daarin slechts om feiten of omstandigheden die belanghebbende vóór het arrest van de Hoge Raad van 1 oktober 2021 reeds bekend waren. Daarom moet het verzoek in zoverre worden afgewezen. [5]

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- wijst het verzoek om herziening af voor zover dat betrekking heeft op het arrest van 1 oktober 2021, nr. 20/01396, en
- verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk voor zover dat betrekking heeft op het arrest van 16 september 2022, nr. 21/04162.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2023.

Voetnoten

4.Zie HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5576, rechtsoverweging 2.1.
5.Zie HR 26 februari 2020, ECLI:NL:HR:2010:BL5576, rechtsoverweging 2.2.