Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
7 november 2023.
Hoge Raad
In deze zaak stond de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan een penitentiair inrichtingswerker centraal. De verdachte was in hoger beroep veroordeeld door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep op 3 december 2021 werd aan verdachte en zijn raadsman het recht gelaten het laatst te spreken, waarna de advocaat-generaal repliceerde en de raadsman dupliceerde. Uit het proces-verbaal bleek echter niet dat de verdachte opnieuw het recht kreeg het laatst te spreken na deze repliek en dupliek.
De Hoge Raad oordeelde dat hierdoor het voorschrift van artikel 311 lid 4 van Pro het Wetboek van Strafvordering, dat op straffe van nietigheid het recht van de verdachte om het laatst te spreken garandeert, niet is nageleefd. Dit vormde een schending van het procesrecht. Het cassatiemiddel van de verdachte slaagde daarom.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het gerechtshof en wees de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe berechting en afdoening, waarbij het recht van de verdachte om het laatst te spreken correct in acht moet worden genomen. De overige cassatiemiddelen werden niet behandeld vanwege de vernietiging.
Deze uitspraak onderstreept het belang van de waarborg van het recht van de verdachte om het laatst te spreken in het strafproces, conform de wettelijke voorschriften, ter bescherming van een eerlijk proces.
Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens schending van het recht van de verdachte om het laatst te spreken.