ECLI:NL:PHR:2023:800
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens niet naleven recht op het laatste woord in hoger beroep
In deze zaak is de verdachte in hoger beroep vrijgesproken van poging tot doodslag en veroordeeld voor poging tot zware mishandeling. Het hof legde een gevangenisstraf van negen maanden op. De verdachte stelde cassatie in tegen het arrest, met twee middelen gericht op het recht op het laatste woord en het bewijs van opzet.
De Hoge Raad oordeelt dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet duidelijk maakt dat de verdachte na de repliek van de advocaat-generaal en de dupliek van zijn raadsman nogmaals het recht op het laatste woord is gelaten. Dit is in strijd met art. 311 lid 4 Sv Pro, dat op straffe van nietigheid vereist dat de verdachte als laatste het woord krijgt, ook als het openbaar ministerie na hem het woord voert.
Omdat het proces-verbaal niet uitsluit dat de advocaat-generaal zich inhoudelijk heeft uitgelaten over de strafzaak in repliek, en niet blijkt dat de verdachte daarna nog het laatste woord kreeg, is het arrest van het hof nietig. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling wegens schending van het recht op het laatste woord.