ECLI:NL:HR:2023:1648

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 november 2023
Publicatiedatum
24 november 2023
Zaaknummer
22/00934
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie

In deze zaak heeft de verdachte cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar alleen ten aanzien van de duur van de opgelegde gevangenisstraf, met vermindering naar de gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel gegrond verklaard dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden doordat stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

Dit leidde tot vermindering van de gevangenisstraf met twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De overige klachten van de verdachte werden door de Hoge Raad verworpen zonder nadere motivering, omdat deze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de strafduur en legde een nieuwe straf op van elf maanden en drie weken gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer op 28 november 2023.

Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot elf maanden en drie weken, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/00934
Datum28 november 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 maart 2022, nummer 23-004416-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
2.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze elf maanden en drie weken, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
28 november 2023.