ECLI:NL:PHR:2024:797

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 september 2024
Publicatiedatum
26 juli 2024
Zaaknummer
22/01950
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 1 lid 5 OpiumwetArt. 420bis SrArt. 420quater SrArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen uitvoer heroïne en witwassen met strafvermindering wegens termijnoverschrijding

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot 38 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het verbod van de Opiumwet (uitvoer, vervoer en bezit van circa 3,06 kilogram heroïne) en witwassen van €15.400 contant geld. De verdachte stelde twee middelen van cassatie voor: het eerste middel betrof de onvoldoende gemotiveerde bewezenverklaring van het bestanddeel 'buiten het grondgebied van Nederland brengen' van de heroïne; het tweede middel richtte zich op de bewijsvoering omtrent het witwassen.

De Hoge Raad oordeelt dat de bewezenverklaring omtrent het bestanddeel 'buiten het grondgebied van Nederland brengen' voldoende is gemotiveerd. De telefonische afspraken, het vervoer van de heroïne in tassen naar een Spaanse vrachtwagen en de omstandigheden rondom de aanhouding ondersteunen het oordeel dat de heroïne het buitenland als bestemming had. De omstandigheid dat de vrachtwagen op het moment van aanhouding noordwaarts reed, doet hieraan niet af.

Ten aanzien van het witwassen merkt de Hoge Raad op dat het hof impliciet heeft gekozen voor de kwalificatie opzetwitwassen (art. 420bis Sr) en dat de bewijsvoering toereikend is, ondanks dat het hof ook schuldwitwassen als alternatief had kunnen overwegen. Hoewel het hof delen van verklaringen als ongeloofwaardig heeft aangemerkt, leidt dit niet tot onvoldoende bewijs. De Hoge Raad constateert wel dat de uitspraak meer dan 24 maanden na het instellen van cassatie is gedaan, wat een schending van het recht op een redelijke termijn oplevert en tot strafvermindering moet leiden.

De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad strekt tot vernietiging van het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf, met vermindering naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor medeplegen uitvoer heroïne en witwassen, met strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/01950

Zitting3 september 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 17 mei 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens onder 1 “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A, B en C van de Opiumwet gegeven verbod” en onder 2 primair “witwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof een beslissing genomen over een aantal in beslag genomen, nog niet teruggegeven geldbedragen.
Namens de verdachte heeft R.J. Baumgardt, advocaat in Rotterdam , twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

3. Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring onder 1 ontoereikend is gemotiveerd en richt zich in het bijzonder tegen de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’.
4. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op tijdstippen in of omstreeks de periode 4 maart 2019 tot en met 7 maart 2019, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en opzettelijk heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad ongeveer 3,06 kilogram heroïne, heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;”
5. De bewezenverklaring steunt op acht bewijsmiddelen, zoals opgenomen in de aanvulling op het arrest. De volgende bewijsmiddelen zijn in verband met het middel in het bijzonder van belang:
“1.
Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 1] , verbalisant, gesloten en getekend op 8 maart 2019, p. 108-109, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Uit informatie van een nog lopend opsporingsonderzoek wordt vermoed dat een persoon genaamd [verdachte] , die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] zich bezig houdt met activiteiten die te duiden zijn als ondergronds bankieren.
Sinds 22 februari 2019 worden de gesprekken gevoerd met het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer] opgenomen en afgeluisterd.
25-02-2019
[verdachte] heeft contact met de NNMan2813 (Marokkaan/Spanjaard).
27-02-2019
NNMan vraagt of [verdachte] een monster van het spul kan klaarleggen.
05-03-2019
NNMan zegt dat diegene overmorgen gaat komen (dit zou 7-3-2019 moeten zijn). [verdachte] vraagt hoeveel hij moet klaarzetten. NNMan zegt 25 a 30 aarde en iets van 2 van dat andere spul. [verdachte] zegt dat hij 30 van aarde en 3 van het andere aan NNMan gaat sturen.
[verdachte] zegt dat de locatie 65 km van hem vandaan is. Hij vindt dit te ver weg. [verdachte] vraagt of de man (chauffeur) bij hem langs kan rijden.
NNMan zegt dat de Italiaan gaat parkeren bij [verdachte] . Op een parkeerplaats voor vrachtwagens buiten de stad, bij/in een park.
07-03-2022
Gesprek gaat over de prijs van het te leveren goed. NNMan gaat later een hoeveelheid aarde van 50 of 60 bestellen, omdat hij niet steeds een andere kleur aan de junkies wil leveren.
[…]
3.
Een proces-verbaal van observeren, opgemaakt, gesloten en ondertekend door [verbalisant 2] , verbalisant, p. 124-131, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Gedurende de tijd gelegen tussen : donderdag 7 maart 2019 te 13.50 uur en
: donderdag 7 maart 2019 te 19:22 uur
Subject(en)/Object(en) : [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1982 te
[geboorteplaats]
Tijdstip
Waarnemingen
13.5
Deze observatie werd overgenomen van het OT-B van de Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Recherche, rondom perceel [a-straat] te [plaats] .
Tevens werd de observatie overgenomen op een personenauto voorzien van het kenteken [kenteken 1] , welke op de [b-straat] te [plaats] geparkeerd stond.
14.39
Ik zag dat subject [verdachte] als bestuurder en enige inzittende in de [kenteken 1] - stapte, en vertrok.
15.56
Ik zag dat de voor mij onbekende bestuurder, hierna NN1 genoemd, uit de [kenteken 2] stapte en contact maakte met subject [verdachte] .
14.47
Ik zag dat subject [verdachte] als bestuurder en enige inzittende in de [kenteken 1] - stapte en vertrok. Ik zag dat NN1 als bestuurder en enige inzittende in de [kenteken 2] stapte en vertrok. Ik zag dat de [kenteken 1] en [kenteken 2] achter elkaar aan reden.
15.02
Ik zag een personenauto voorzien van het kenteken [kenteken 3] met een onbekend gebleven mannelijke bestuurder geparkeerd stond.
Ik zag dat subject [verdachte] de portier aan de passagierszijde van de [kenteken 3] opende en kort sprak met de onbekend gebleven bestuurder. Ik zag subject [verdachte] vervolgens de kofferbak van de [kenteken 3] opende en hier twee bigshoppers tassen uit pakte.
Ik zag dat subject [verdachte] de beide tassen droeg en ik zag aan zijn houding dat deze tassen kennelijk zwaar en gevuld waren.
15.04
Wij zagen dat subject [verdachte] beide tassen in de kofferbak van de [kenteken 2] zette en deze afsloot.
15.15
Wij zagen dat subject [verdachte] als bestuurder, en een voor ons onbekende man, hierna NN2 genoemd, als passagier in de [kenteken 1] zaten.
16.42
Ik zag dat de [kenteken 1] en de [kenteken 2] op het terrein van het bedrijf [A] aan de [c-staat 1] te [plaats] stopten.
Ik zag dat ter hoogte van perceel [c-staat 1] een vrachtauto voorzien van Spaans kenteken [kenteken 1] , geparkeerd stond. Ik zag dat de bestuurder van de [kenteken 1] een voor mij onbekende man was, hierna NN3 genoemd.
Ik zag dat NN3 uit de vrachtwagen stapte. Ik zag dat subject [verdachte] vanuit de richting van de [kenteken 1] kwam lopen en contact maakte met NN3.
16.45
Ik zag dat subject [verdachte] en NN3 naar de [kenteken 2] liepen. Ik zag dat subject [verdachte] de kofferbak van de [kenteken 2] opende en hier twee bigshopper tassen uit pakte. Ik zag dat dit één gele bigshopper tas met op het opschrift Jumbo, en één witte bigshopper tas met het opschrift Action betrof.
Ik zag dat NN3 deze tassen aanpakte en terug liep richting de [kenteken 1] . Ik zag aan zijn houding dat deze tassen kennelijk zwaar en gevuld waren.
16.49
Ik zag dat NN3 de twee tassen in de cabine van de [kenteken 1] legde en als bestuurder instapte. Hierna is de observatie overgedragen aan het OT-B van de Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Recherche.
4.
Een proces-verbaal van bevindingen observatie, opgemaakt door [verbalisant 3] , verbalisant, gesloten en getekend op 18 maart 2019, p. 141, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Observatie Spaanse vrachtauto
Vanaf 7 maart 2019 te 16.50 uur hebben de rechercheurs de Scania vrachtwagen voorzien van het Spaanse kenteken [kenteken 1] vanaf de [c-straat ] te [plaats] onder observatie genomen. Gezien werd dat de Scania middels de rijkswegen A1 en A6 in de richting van Heereveen reed.
Overname door FIT
Op 7 maart 2019 omstreeks 18.10 uur heeft en Flexibel Interventieteam (FIT) van de Landelijke Eenheid de observatie op de A6 overgenomen. Kort hierna werden de vrachtwagenbestuurder en zijn bijrijdster in het dorpje [plaats] aangehouden.
5.
Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 4] , [verbalisant 5] , [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , verbalisanten, gesloten en getekend op 7 maart 2019, p. 119, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 7 maart 2019 kregen wij het verzoek van de Landelijke recherche om een Spaanse vrachtwagen, voorzien van kenteken [kenteken 1] en opleggen met kenteken [kenteken 4] staande te houden in verband met hun onderzoek.
Betreft onderzoek onder nummer LERED19001.
Deze vrachtwagen werd door medewerkers van de Landelijke recherche aan ons overgedragen op de rijksweg A6 in Noordelijke richting.
Wij zagen betrokken vrachtwagen vervolgens rijden op de rijksweg A6 in Noordelijke richting ter hoogte van afslag 18.
Hierop hebben wij de genoemde vrachtwagen meegenomen de provinciale N354 op in de richting van [plaats] .
Hierop hebben wij de vrachtwagen staande gehouden op de [weg] te [plaats] .
Op 7 maart 2019 omstreeks 18:15 uur is door ons de bestuurder, zijnde [betrokkene 1] aangehouden.”
6. Uit de tekst van de Opiumwet en de daarop gebaseerde jurisprudentie volgt dat het in art. 2 onder Pro A Opiumwet voorkomende bestanddeel ‘binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen’ ruim moet worden geïnterpreteerd. [1] In art. 1 lid 5 Opiumwet Pro is bepaald dat onder ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’ mede moet worden begrepen het met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden van verdovende middelen. Ook handelingen van de verdachte ten aanzien van de verdovende middelen die plaatsvinden voorafgaand aan de feitelijke uitvoer daarvan, kunnen dus worden aangemerkt als het ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’ als bedoeld in art. 2 onder Pro A Opiumwet. [2] Ook bij deze ruime interpretatie van dit bestanddeel zal evenwel uit de bewijsvoering van het hof moeten kunnen worden afgeleid dat de verdovende middelen het buitenland als bestemming hadden. [3]
7. De steller van het middel meent dat het oordeel van het hof dat de in de vrachtwagen gelegde tassen met heroïne het buitenland als bestemming hadden, niet zonder meer begrijpelijk is nu het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de tassen met heroïne eerst in noordelijke richting heeft vervoerd (vanuit [plaats] naar [plaats] ), dat ze in [plaats] in een vrachtwagen zijn gelegd en dat deze vrachtwagen vervolgens rijdend in noordelijke richting, op weg richting Heerenveen, is staande gehouden. Daaraan doet volgens de steller van het middel niet af dat de verdachte eerder telefonisch contact heeft gehad met een Marokkaan/Spanjaard en dat de vrachtwagen een Spaans kenteken had.
8. Het hof heeft in zijn bewijsoverweging geen bijzondere aandacht besteed aan de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’. Daaraan zal hebben bijgedragen dat ter terechtzitting in hoger beroep de bewezenverklaring van dit bestanddeel in eerste aanleg door de verdediging niet is betwist, ook niet nadat de rechtbank had overwogen dat het de bedoeling was de heroïne naar Spanje te vervoeren en de advocaat-generaal zich in hoger beroep vervolgens ook uitdrukkelijk op het standpunt had gesteld dat de heroïne Spanje als bestemming had en sprake is van verlengde uitvoer van de heroïne.
9. Daarmee rijst nog wel de vraag of de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’ voldoende wordt gesteund door de inhoud van de in de aanvulling opgenomen bewijsmiddelen.
10. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte in februari 2019 contact heeft gehad met een onbekende “Marokkaan/Spanjaard” (bewijsmiddel 1). Deze Marokkaan/Spanjaard heeft op 5 maart 2019 gezegd dat iemand overmorgen gaat komen en de verdachte heeft daarna tegen hem gezegd dat hij “30 van aarde en 3 van het andere” aan de Marokkaan/Spanjaard gaat sturen (bewijsmiddel 1), waarbij het hof er blijkens zijn bewijsoverweging vanuit gaat dat met “3 van het andere” de later aangetroffen drie kilo heroïne wordt bedoeld. Het hof heeft verder vastgesteld dat de verdachte op 7 maart 2019 twee boodschappentassen, waarin later de drie kilo heroïne is aangetroffen, van [plaats] naar [plaats] heeft vervoerd en daar heeft overgedragen aan een vrachtwagenchauffeur (bewijsmiddel 3 en 6). De vrachtwagenchauffeur heeft deze tassen vervolgens in zijn vrachtwagen – voorzien van een Spaans kenteken – gelegd en is als bestuurder ingestapt (bewijsmiddel 3 en 6). De vrachtwagen is vervolgens in Friesland staande gehouden en in de cabineruimte werden de twee boodschappentassen aangetroffen met daarin 3,06 kilogram heroïne (bewijsmiddel 3, 7 en 8).
11. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de bewezenverklaarde uitvoer van heroïne het resultaat is geweest van een (telefonische) afspraak op 5 maart 2019 tussen de verdachte en een onbekend gebleven man (“Marokkaan/Spanjaard”). De verdachte heeft in het kader van die afspraak gezegd dat hij drie kilo heroïne naar deze onbekend gebleven Marokkaan/Spanjaard toe gaat sturen nadat hij had gehoord dat iemand na 1,5 dag zou arriveren om dit op te halen. De verdachte heeft vervolgens op 7 maart 2019 tassen, waarin later de heroïne is aangetroffen, aan een vrachtwagenchauffeur overgedragen die deze in zijn vrachtwagen – voorzien van een Spaans kenteken – heeft gelegd en daarmee is weggereden. Het hof heeft kennelijk op grond van deze nadere – in de bewijsmiddelen besloten liggende – vaststellingen geoordeeld dat het de bedoeling was dat de tassen met heroïne naar de onbekende man zouden worden vervoerd en dat die man zich in Spanje bevond, zodat de heroïne aldus het buitenland als bestemming had. Hoewel het hof de bewijsvoering mager heeft aangekleed, acht ik dit oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat de vrachtwagen op 7 maart 2019 rijdend in noordelijke richting, op de weg richting Heerenveen en dus niet in de richting van het buitenland, is staande gehouden. Die enkele omstandigheid zegt immers op zichzelf niets over de eindbestemming van de tassen met heroïne.
12. Gelet op het voorgaande, is de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’ niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
13. Het middel faalt.

Het tweede middel

14. Het tweede middel richt zich tegen het onder 2 bewezenverklaarde feit en valt in drie deelklachten uiteen.
15. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 2 primair bewezenverklaard dat:
“Hij op 7 maart 2019 te [plaats] , althans in Nederland,
b) geldbedragen, te weten
- een geldbedrag van EUR 12.400,-, en
- een geldbedrag van EUR 3.000,-,
heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat deze geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”
16. Ten eerste wordt in de schriftuur aangevoerd dat het hof in de bewezenverklaring geen keuze heeft gemaakt uit het alternatief tenlastegelegde (opzet)witwassen en schuldwitwassen, terwijl die keuze niet achterwege had mogen blijven omdat de in artikel 420bis Sr tegen witwassen bedreigde gevangenisstraf hoger is dan de in artikel 420quater Sr op schuldwitwassen gestelde gevangenisstraf.
17. De tenlastelegging in de onderhavige zaak bevat het bestanddeel “wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden”. Daarmee wordt aan de verdachte gelijktijdig zowel (opzet)witwassen (art. 420bis Sr) als schuldwitwassen (art. 420quater Sr) tenlastegelegd. Het is bij een dergelijke (impliciet) alternatieve tenlastelegging vervolgens voorbehouden aan de rechter om een keuze te maken tussen de tenlastegelegde alternatieven. In de onderhavige zaak heeft het hof bewezenverklaard dat de verdachte “wist, althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden” dat de geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf en aldus geen keuze gemaakt tussen de opzet- en de schuldvariant, terwijl die keuze wel van belang is voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde. [4] Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.
18. Tot cassatie hoeft dit evenwel niet te leiden, aangezien er naar mijn oordeel sprake is van een kennelijke misslag van het hof. De kwalificatie van het onder 2 bewezenverklaarde feit als “witwassen” wijst er immers op dat het hof toepassing heeft willen geven aan art. 420bis Sr. Bovendien wordt bij de toepasselijke wettelijke voorschriften art. 420bis Sr genoemd en niet art. 420quater Sr. Tot slot heeft het hof in de strafmotivering overwogen dat de verdachte “zich schuldig [heeft] gemaakt aan witwassen van een geldbedrag van € 15.400”. De Hoge Raad kan de bewezenverklaring in zoverre verbeterd lezen, waarmee de feitelijke grondslag aan de klacht komt te ontvallen en dus niet tot cassatie kan leiden.
19. Ten tweede wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte de geldbedragen op 7 maart 2019 heeft verworven. Nu het hof ook heeft bewezenverklaard dat de verdachte de geldbedragen voorhanden heeft gehad en daarover in cassatie niet wordt geklaagd, zie ik reeds op voorhand niet welk rechtens te respecteren belang de verdachte heeft bij deze klacht. Deze klacht faalt bij gebrek aan belang.
20. Ten derde wordt door de steller van het middel aangevoerd dat het hof ten onrechte door het hof als leugenachtig of ongeloofwaardig aangemerkte verklaringen voor het bewijs heeft gebruikt.
18. De hiervoor onder 15 weergegeven bewezenverklaring is gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen:
“1.
Een proces-verbaal doorzoeking woning, opgemaakt door [verbalisant 8] , opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD, opgemaakt en ondertekend op 8 maart 2019, p. 270-271, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 7 maart 2019 ben ik gearriveerd in de hal van het appartementencomplex aan de [a-straat] te [plaats] .
[betrokkene 2] heeft op mijn verzoek aangewezen waar het contante geld zich bevond. Het was verstopt in pannen en een fluitketel in de servieskast in de keuken. Zij verklaarde dat het spaargeld was van haar en haar man en dat ze dit contant van de bankrekening had gepind. Het zou gaan om o.a. de kinderbijslag.
In het bijzijn van [betrokkene 2] heb ik samen met collega [verbalisant 9] het aanwezige contante geld geteld. Het bedroeg een totaal van € 12.400,- uit de keuken en € 3.000,- uit de beautycase in de slaapkamer.
2. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 22 oktober 2019 van de meervoudige kamer in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, voor zover inhoudende als
verklaring van verdachte:
Het geld dat contant bij mij is aangetroffen, is onder andere van de kinderbijslag.
3.
Een proces-verbaal Analyse bevraagde bankrekening, opgemaakt door [verbalisant 10] , opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD, gesloten op 22 juli 2019, p. 77-78 van het zaaksdossier witwassen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Rubriek
Aantal mutaties af
Aantal mutaties bij
Betaald:
Ontvangen:
Contante opname
1
€ 100,00
Kinderbijslag
6
€ 4.078,12”
22. Het hof heeft ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde – voor zover van belang – het volgende overwogen:
“Anders dan de rechtbank, is het gerechtshof van oordeel dat sprake is van een vermoeden van witwassen. Uit de tapgesprekken volgde een vermoeden dat verdachte bezig was met handel in harddrugs. Daarnaast is sprake van contante gelden, terwijl verdachte beschikte over bankrekeningen en is het ongebruikelijk om grote hoeveelheden contant geld thuis te bewaren vanwege veiligheidsrisico’s. Dit betekent dat hef aan verdachte is om een voldoende concrete en verifieerbare verklaring te geven voor de aanwezigheid van de contante geldbedragen.
Verdachte heeft aanvankelijk geen verklaring afgelegd. Pas in een later stadium heeft hij verklaard dat de € 12.400,- en € 3.000,- spaargeld en een restant van de bruidsschat is. Het hof acht deze, in een laat stadium afgelegde verklaring, die niet concreet en verifieerbaar is onderbouwd, onaannemelijk. Het hof betrekt hierbij dat de echtgenoot van verdachte eerder verklaarde dat het bedrag van € 12.400, afkomstig was van contant opgenomen kinderbijslag, terwijl nadien is vastgesteld dat van de rekening waarop de kinderbijslag werd gestort geen opnamen ter hoogte van (in totaal) dit bedrag hebben plaatsgevonden.”
23. Het hof heeft de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde mede doen steunen op de verklaring van [betrokkene 2] (als onderdeel van bewijsmiddel 1) en van de verdachte zelf (bewijsmiddel 2), waaruit telkens blijkt dat het aangetroffen contante geld onder andere afkomstig zou zijn van de kinderbijslag. Uit de onder 22 geciteerde bewijsoverweging en ook uit de als bewijsmiddel 3 gebruikte analyse van de bankrekening kan evenwel worden afgeleid dat het hof die afkomst van het aangetroffen geld onaannemelijk, of zelfs ongeloofwaardig vindt.
24. Verklaringen die de rechter in zijn bewijsoverweging onaannemelijk dan wel ongeloofwaardig acht en die in zoverre dus niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring, behoren niet onder de bewijsmiddelen te worden opgenomen. [5] Daarover klaagt het middel dus terecht.
25. Uit de bewijsvoering van het hof blijkt echter dat het hof voor de bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde redengevend heeft geacht dat sprake is van een vermoeden van witwassen onder meer door de aanwezigheid bij de verdachte thuis van in totaal € 15.400 aan contant geld (zie bewijsmiddel 1), terwijl daarvoor een concrete en verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring van de verdachte ontbreekt. Daarbij heeft het hof betrokken dat de verdachte aanvankelijk geen verklaring heeft afgelegd en dat de verklaring die de verdachte pas in een laat stadium heeft afgelegd, en die inhoudt dat het aangetroffen contante geld spaargeld en een restant van de bruidsschat is, niet concreet en verifieerbaar is onderbouwd en onaannemelijk is.
26. Deze redenering van het hof kan naar mijn oordeel de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde dragen. Dat brengt mee dat – ook als de ten onrechte opgenomen onderdelen van de verklaringen over de kinderbijslag worden weggedacht – nog steeds sprake is van een toereikend gemotiveerde bewezenverklaring. Dat is overigens – zoals ik hiervoor heb uitgelegd – in overeenstemming met de nadere bewijsoverweging van het hof. Gelet op het voorgaande, heeft de verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak. [6]
27. Het tweede middel leidt niet tot cassatie.

Slotsom

28. Beide middelen falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Bij het tweede middel ligt toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro minder in de rede, aangezien dat middel een klacht bevat over de bewijsvoering van een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken. [7]
29. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan 24 maanden nadat cassatieberoep is ingesteld. Dat betekent dat inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM Pro neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Dat moet leiden tot strafvermindering. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
30. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie Blom, in:
2.Zie bijvoorbeeld HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2529 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl),
3.Vgl. de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Vellinga ECLI:NL:PHR:2017:922, onder 8, die voorafging aan HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2408 (HR: vernietiging en terugwijzing).
4.Zie voor een vergelijkbaar geval HR 11 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1648 (HR: 81 RO), met een daaraan voorafgaande conclusie van mijn hand ECLI:NL:PHR:2023:893, onder 6-9. Vgl. ook HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:227,
5.HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3442, r.o. 2.5.
6.Vgl. HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1176,
7.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,