Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
buitenhet onteigende wordt gerealiseerd. Met dergelijke nadelige gevolgen mag volgens de rechtbank bij het begroten van de schadeloosstelling geen rekening worden gehouden. Tegen dit oordeel komt het cassatiemiddel op. Aldus stelt de zaak ons voor een lastige vraag: in hoeverre worden bij de begroting van bijkomende schade nadelen als gevolg van de aanwezigheid of het gebruik van het werk weggedacht? Die vraag verken ik vooraf in hoofdstuk 3.
2.Feiten en procesverloop
gezamenlijktoekomende schadeloosstelling als volgt geadviseerd:
€ 279.000
Memo’ van 2 maart 2022 (hierna: het rapport van Countus) concludeert Countus – voor zover nu relevant – dat:
de schade die [eiser 1] mogelijk lijdt als gevolg van het door de onteigening vervroegd aflossen van de hypothecaire schuld aan [verweerder 4]”. Deskundigen zijn met ProRail van oordeel dat uit de op 19 januari 2022 door [eisers] ter zake aan hen toegezonden stukken blijkt dat het vervroegd opeisen van de hypotheek het gevolg is van het niet (tijdig) voldoen van termijnbetalingen en (dus) niet het gevolg is van de onteigening.
3.Onteigeningsschade en nadelen als gevolg van het werk
altijden niet alleen voor zover het een overheidswerk betreft. [5] Dat is eigenlijk vanzelfsprekend. Ook indien het werk wordt uitgevoerd voor rekening en risico van een private partij, geschiedt onteigening nog altijd in het algemeen belang (art. 14 Grondwet Pro; art. 1 Onteigeningswet Pro; art. 11.1 Omgevingswet). Het beginsel van gelijkheid voor de publieke lasten brengt daarom mee dat de onteigende de last van het nadeel dat voor de werkelijke waarde ontstaat door de realisatie van het werk, of reeds vooraf door de plannen voor het werk, niet behoeft te dragen.
ophet onteigende wordt aangelegd respectievelijk gebruikt. De minderwaarde van het overblijvende in verband met die nadelen, wordt aan de onteigende vergoed. In die zin luidt reeds sinds lang de rechtspraak van uw Raad. [7]
buitenhet onteigende niet wordt vergoed, is dat de nadelen van die aanwezigheid respectievelijk dat gebruik ook worden ondervonden door andere eigenaren in de directe omgeving, dat wil zeggen door buren van de onteigende die niet ook zelf onteigend worden. Die andere eigenaren ontvangen voor dat nadeel hooguit nadeelcompensatie. Daarom, zo is de gedachte, geldt dit ook zo voor de onteigende. Telders heeft echter reeds laten zien dat deze redengeving niet onderscheidend is, want ook in sommige gevallen waarin aan de onteigende een nadeel als gevolg van het werk wordt vergoed, is dat eenzelfde nadeel als door zulke buren van de onteigende wordt geleden. Hij geeft het voorbeeld van twee aan elkaar grenzende percelen met achtertuinen van ongelijke lengte: [8]
buitenzijn (voormalige) eigendomsterritoir wordt gerealiseerd, is hij aan zijn buurman echter gelijk. Buiten dat territoir kon en kan hij ongunstige ontwikkelingen niet verhinderen, in ieder geval niet uit hoofde van zijn eigendomsrecht. Dit verklaart dus waarom nadelen als gevolg van de toekomstige aanwezigheid en het toekomstige gebruik van het werk overeenkomstig het doel waarvoor de onteigening geschiedt, aan de onteigende slechts worden vergoed voor zover die realisatie en dat gebruik
ophet onteigende plaatsvinden.
Princevilleuit 2006. [10] Het werk waarvoor werd onteigend, betrof de aanleg van een hogesnelheidslijn en de aanpassing van twee Rijkswegen. Ten behoeve van dit werk werden de percelen van hotel Princeville gedeeltelijk onteigend. Princeville exploiteerde op het overblijvende een café-restaurant en betoogde dat dit café-restaurant onzichtbaar en minder bereikbaar werd ten gevolge van de onteigening. Volgens uw Raad kwam het oordeel van de rechtbank erop neer dat de door Princeville gestelde schade geen rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening was, nu zowel het verdwijnen van de zichtbaarheid als de verslechtering van de bereikbaarheid het gevolg was van de onderdelen van het werk die buiten de onteigende perceelsgedeelten zouden worden aangelegd en Princeville ‘als eigenares daarvan die aanleg dan ook niet zou hebben kunnen voorkomen’. [11]
althans niet uit hoofde van zijn eigendomsrecht.Dit laatste voegde ik toe, omdat door sommigen wel een ruimere opvatting van de defensieve functie van het eigendomsrecht is verdedigd (onder meer naar aanleiding van het dadelijk te bespreken arrest
Betuweroute), [12] maar ten onrechte. De redenering van een veronderstelde onteigende is dan bijvoorbeeld als volgt: ‘Voor de realisatie van het werk is mede mijn eigendom benodigd; dat kan men daarvoor niet missen. Zou ik niet onteigend zijn geworden, dan zou ik dus het gehéle werk hebben kunnen verhinderen. Daarom is ál het nadeel dat ik van de realisatie en vervolgens van het gebruik van het werk ondervind, een onteigeningsgevolg dat aan mij moet worden vergoed.’ Een dergelijke extensieve opvatting van de defensieve functie van het eigendomsrecht is onjuist. [13] Zij ziet eraan voorbij dat bij de vaststelling van de onteigeningsschade de onteigende als een redelijk handelend persoon moet worden gedacht. De onteigende als redelijk handelend persoon is willig om in het algemeen belang de eigendom af te staan, zij het ook dat hij daartegenover al zijn schade vergoed wil zien die van de eigendomsontneming het gevolg is. Ik zeg: van de eigendomsontneming, dus niet van het werk als zodanig.
Binnenzijn eigendomsterritoir kon de onteigende ongewenste ontwikkelingen tegenhouden. Voor wat als gevolg van de ontneming daar alsnog plaatsvindt, vergt hij daarom terecht dat hij schadeloos wordt gesteld.
Buitenzijn eigendomsterritoir had de onteigende nooit meer te zeggen dan zijn buren. Daarom maakt hij in zoverre ook geen aanspraak op een andere behandeling dan die buren.
Waterkering Zederikuit 2008 als volgt onder woorden gebracht: [14]
Betuwerouteuit 2004. In dat arrest oordeelde uw Raad namelijk dat de onteigende óók aanspraak kon maken op de waardevermindering van het overblijvende die het gevolg was van hinder die werd veroorzaakt door treinen die reden op gedeelten van de spoorlijn (het werk waarvoor werd onteigend) die
buitenhet onteigende waren gelegen. [16] Naar aanleiding van die beslissing rees de vraag of uw Raad het vanuit de defensieve functie van het eigendomsrecht zo nauwkeurig omlijnde stelsel geheel of gedeeltelijk had verlaten. In het arrest
Waterkering Zederikheeft uw Raad die vraag ontkennend beantwoord. Het arrest
Betuwerouteis daarmee inderdaad niet meer dan een nuance voor het geval van, kort gezegd, niet splitsbare hinder. Ik citeer opnieuw het arrest
Waterkering Zederik:
Waterkering Zederikechter nadrukkelijk toe op de bijzondere situatie die zich in de zaak
Betuweroutevoordeed: treinverkeer over het onteigende, welk verkeer een vorm van geluids- en trillingshinder veroorzaakt die naar zijn aard niet valt te splitsen in hinder die wordt veroorzaakt op het gedeelte van de spoorbaan dat
ophet onteigende respectievelijk direct daarvoor en daarna is gelegen. Deze toespitsing op de bijzondere situatie van hinder door treinverkeer dat het onteigende passeert, onderstreept dat het eerder bedoelde uitgangspunt recht overeind staat en dat de ruimte voor uitzonderingen op dat uitgangspunt klein is.
Gemeente Schiedam/Levagouit 2008. [19] Projectontwikkelaar Levago had met medeweten van de gemeente (de onteigenaar) een perceel aangekocht met de bedoeling om daarop woningbouw te realiseren. De rechtbank had geoordeeld dat er voldoende grond bestond voor vergoeding van de door Levago gederfde grond- en bebouwingsexploitatiewinst, omdat naar haar oordeel voldoende aannemelijk was geworden dat Levago de nog niet geconcretiseerde woningbouwplannen voor het onteigende zou hebben verwezenlijkt, indien de onteigening niet zou hebben plaatsgevonden, alsmede dat Levago uit die verwezenlijking voordeel zou hebben getrokken. Relevant is dat op de peildatum van onteigening al een bestemmingsplan onherroepelijk was geworden waarin aan het onteigende de bestemming ‘trambaan’ was toegekend. De gemeente had op grond hiervan betoogd dat woningbouw op het onteigende, ook indien de onteigening wordt weggedacht, al niet meer mogelijk was. De rechtbank was niet meegegaan in dit betoog: zij paste de eliminatieregel toe en hield daarom geen rekening met het bestemmingsplan. (Terzijde: in deze zaak deed zich het uitzonderlijke [20] geval voor waarin het bestemmingsplan volgens de eliminatieregel inderdaad wordt geëlimineerd, omdat het ging om een zogeheten dwangbestemming.) Het cassatiemiddel betoogde dat de gederfde exploitatiewinst geen onteigeningsgevolg was en dat de eliminatieregel niet van toepassing was op de begroting van de bijkomende schade. Uw Raad oordeelde dat het middel faalde: [21]
Rijksweg 73-Zuid Venlo-Echt [24] kende de rechtbank in navolging van deskundigen voor omrijschade niet meer toe dan een vergoeding van € 100 per jaar. [25] Volgens de rechtbank was de door de onteigende zelf gestelde omrijschade ten bedrage van (gekapitaliseerd) € 117.000 niet aanvaardbaar, omdat die berustte op een berekening waarin niet alleen omrijschade is begroot die het gevolg is van het verlies van de onteigende perceelsgedeelten, maar ook omrijschade die het gevolg is van het vervallen van de (oude) Venweg, die in de nieuwe situatie niet meer is verbonden met het ten westen van de A73 liggende deel van die weg. De tegen deze beslissing gerichte cassatieklacht werd door uw Raad als volgt verworpen:
Provinciale weg Baarle. [26] De onteigende berekende mede omrijschade voor de langere weg die hij zou moeten afleggen naar een niet in de onteigening betrokken perceel L77. De rechtbank meende dat de omstandigheid dat dit perceel buiten het onteigende beslissend was en liet bij vaststelling van de schadeloosstelling de omrijschade buiten beschouwing. Volgens de cassatieklacht was dit onjuist. De enkele omstandigheid dat perceel L77 buiten het onteigende lag, betekent nog niet dat de omrijschade geen onteigeningsgevolg was. Het gaat niet om de vraag of al dan niet een deel van perceel L77 werd onteigend, het gaat erom of de langere weg die de onteigende van en naar perceel L77 moest afleggen, veroorzaakt werd door het gedeelte van het werk dat op het onteigende zou worden gerealiseerd. En dat was wel degelijk het geval. In het arrest van uw Raad worden de feiten nadrukkelijk gecontrasteerd met die van het hiervoor besproken arrest
Rijksweg 73-Zuid Venlo-Echt, als volgt:
ophet onteigende wordt aangelegd (het veronderstelde geval in het arrest
Provinciale weg Baarle), wordt als onteigeningsschade aan de onteigende vergoed, maar omrijschade die het gevolg is van de aanwezigheid en/of het gebruik van het werk
elders(het geval van het arrest
Rijksweg 73-Zuid Venlo-Echt) is geen onteigeningsgevolg.
Rijksweg 73-Zuid Venlo-Echten
Provinciale weg Baarlegeldt ook met betrekking tot omrijschade dat de onteigende in een gelijke positie is als zulke buren, maar niet voor zover de noodzaak tot omrijden juist wordt veroorzaakt door de toekomstige aanwezigheid van het werk
ophet onteigende. De verklaring voor dit verschil in behandeling moet weer dezelfde zijn als die bij de waardevermindering van het overblijvende: de defensieve functie van de eigendom (hiervoor 3.5). Zolang hij eigenaar was, kon de onteigende voor hem ongunstige ontwikkelingen tegenhouden en dus ook binnen zijn eigendomsterritoir verhinderen dat een werk werd aangelegd dat hem zou noodzaken om te rijden. Daarom is het nadeel van omrijden in verband met het werk zoals dit
ophet onteigende wordt aangelegd, een aan de onteigende te vergoeden gevolg van de eigendomsontneming.
Reconstructie Rijksweg 59uit 2007: [27]
als onteigeningsschadeop de agenda; wat betreft de niet zelf onteigende buurman naar zijn aard niet.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Bijkomende schade
buiten het onteigendeis/zal worden geplaatst.
fysiekbuiten het onteigende bevindt (zie bijlage 11 bij het definitieve rapport). Dat een (ander) deel van deze railinzetplaats wel op het onteigende wordt aangelegd, maakt dit niet anders.’
onder 1.1van de procesinleiding lees ik geen zelfstandige klacht.
onder 1.2veronderstellen dat de rechtbank onder 2.39 (impliciet) heeft geoordeeld dat het hekwerk om de railinzetplaats weliswaar zorgt voor (nog) minder opties voor grote vrachtwagens om te manoeuvreren, maar dat dit hekwerk het bedrijfsterrein van [eisers] niet onbereikbaar maakt. [29] Ik denk dat deze lezing van het vonnis niet houdbaar is. De rechtbank is aan de bezwaren van [eisers] ten aanzien van de onbereikbaarheid/verslechterde bereikbaarheid voorbijgegaan op de grond dat het overlast veroorzakende gebruik van het werk, in dit geval het hekwerk om de railinzetplaats zich fysiek buiten het onteigende bevindt. Aldus heeft de rechtbank in het midden gelaten of het standpunt van [eisers] dat het bedrijfsterrein in de nieuwe situatie onbereikbaar is voor de in de branche gebruikelijke grote(re) vrachtwagens, feitelijk juist is. De klachten berusten dus op een onjuiste lezing van het vonnis.
onder 1.3richt zich tegen het oordeel van de rechtbank onder 2.39 dat met de nadelige gevolgen van het hekwerk geen rekening mag worden gehouden bij het begroten van de schadeloosstelling als gevolg van de onteigening. Volgens de stellers van het middel heeft de rechtbank miskend dat de hinder van het werk waarvoor wordt onteigend en de schade die door deze hinder wordt veroorzaakt, moeten worden betrokken bij het begroten van de schadeloosstelling als gevolg van de onteigening indien het hinderveroorzakende werk (deels) wordt aangelegd op het onteigende en de hinder als gevolg van de aanleg, aanwezigheid en/of het gebruik van het werk niet splitsbaar is.
Uitsluitend in dat verbandis het de vraag of het nadeel van de aanwezigheid van het hekwerk en de veronderstelde onbereikbaarheid voor de in de branche gebruikelijke grote(re) vrachtwagens moet worden weggedacht of niet.
Betuweroutevolgens de uitleg die uw Raad daaraan in
Waterkering Zederikheeft gegeven, dan faalt de klacht. Voor een zodanig terugkomen zie ik geen enkele aanleiding. Ook zie ik geen aanleiding voor de gedachte dat de hinder die manoeuvrerend vrachtwagenverkeer van een hekwerk ondervindt, niet op een bepaalde plaats zou kunnen worden gelokaliseerd. Dat is bij deze vorm van hinder naar zijn aard juist wel goed mogelijk.
Reconstructie Rijksweg 59onder 3.5; vanwege de relevantie voeg ik daar nu ook het eerste deel van rechtsoverweging 3.6 aan toe: [30]
onder 1.4betoogt dat, zelfs als moet worden aangenomen dat de hinder in deze zaak splitsbaar is en wordt veroorzaakt door het hekwerk om de railinzetplaats dat zich buiten het onteigende bevindt, bij het begroten van de schadeloosstelling toch rekening moet worden gehouden met die hinder, omdat de hinder van het werk buiten het onteigende zo nauw samenhangt met de onteigening dat deze niet los van elkaar kunnen worden gezien. Dit geldt volgens de stellers van het middel te meer in deze zaak, omdat het hinderveroorzakende werk zich (groten)deels op het onteigende bevindt.
onder 1.5heeft de rechtbank miskend dat vergoeding van schade door hinder ten gevolge van een werk dat zich deels buiten het onteigende bevindt, noodzakelijk is voor de onteigende om een volledige schadeloosstelling te waarborgen in gevallen waarin de onteigende met een beroep op de defensieve functie van het eigendom (door verzet tegen de onteigening) kan verhinderen dat het werk gerealiseerd wordt.
onder 1.6betoogt dat, voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de hinder van de railinzetplaats met hekwerk kan worden gesplitst in hinder buiten het onteigende enerzijds en hinder op het onteigende anderzijds en om die reden niet voor vergoeding in aanmerking komt, dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting of onvoldoende is gemotiveerd. De stellers van het middel voeren aan dat ProRail de gehele railinzetplaats zal gebruiken en de aanwezigheid of het gebruik van die railinzetplaats niet splitsbaar is.
Waterkering Zederikzoals het luidt. Daarom overtuigt het argument niet. Los hiervan geldt ook voor deze klacht wat hiervoor 4.6 e.v. gezegd: zij sluit niet goed aan bij de overweging waartegen zij richt. Bij een welwillende lezing van de klacht hebben [eisers] opnieuw geen belang, omdat de beslissing van de rechtbank zelfstandig wordt gedragen door de overweging dat geen alternatieve locatie beschikbaar is en dat een redelijk handend ondernemer zou kiezen voor gedeeltelijke liquidatie.
onder 1.7richten zich tegen het oordeel van de rechtbank onder 2.39 dat verplaatsing van het bedrijf van [eisers] geen optie is, omdat deskundigen geen alternatieve locatie hebben kunnen vinden en [eisers] hier onvoldoende tegenover hebben gesteld, maar – integendeel – ter zitting juist hebben bevestigd te hebben gezocht naar een alternatieve locatie in de buurt zonder zo’n locatie te hebben kunnen vinden. Volgens de stellers van het middel is dit oordeel onbegrijpelijk in het licht van een aantal door hen opgesomde feiten en omstandigheden. De klachten komen er in essentie op neer dat het vinden van een alternatieve locatie voor de bedrijfsactiviteiten weliswaar
moeilijkwas vanwege het beperkte aanbod van locaties, maar niet
onmogelijk. In dit verband vermeldt de steller van het middel als ‘een feit van algemene bekendheid’ dat voor geld ‘alles te koop is’ en dat een premie uit handen breken een middel kan zijn om wél een vervangende locatie te bemachtigen.
onder 1.8een voortbouwklacht te lezen, die geen bespreking behoeft.
subonderdeel 1.8. Deze klachten richten zich eveneens tegen het oordeel van de rechtbank (onder 2.39) dat verplaatsing van het bedrijf van [eisers] geen optie is. Volgens de rechtsklacht is dit oordeel onjuist voor zover de rechtbank heeft verondersteld dat verplaatsing slechts een optie is als er alternatieven in de buurt beschikbaar zijn. Deze klacht mist feitelijke grondslag. De rechtbank heeft in navolging van deskundigen zich terecht de vraag gesteld wat een redelijk handelend ondernemer zou doen.
In dat verbandweegt voor de rechtbank in navolging van deskundigen zwaar dat een vervangende locatie niet te vinden was. De deskundigen hebben zich niet beperkt tot locaties in de buurt. Ook de rechtbank heeft dat niet gedaan. Zij heeft slechts de mededeling van de zijde van [eisers] dat een alternatieve bedrijfslocatie in de buurt onvindbaar was, opgevat als steun voor de bevindingen van de deskundigen dat meer algemeen een vervangende locatie rond de peildatum niet beschikbaar was.
onder 2.1is het oordeel van de rechtbank onjuist of onbegrijpelijk, omdat niet valt in te zien waarom de twee verklaringen van Pekaar en Hapak B.V. geen afbreuk doen aan de taxatie van [betrokkene 1] . Pekaar en Hapak B.V. hebben de handelsvoorraad op een aanzienlijk hoger bedrag (ruim € 1.700.000) getaxeerd dan [betrokkene 1] (€ 100.000), terwijl de rechtbank niet heeft overwogen dat zij ondeskundig zijn of tot een onjuiste taxatie zijn gekomen.
second best. Men bleek echter vaak niet mee te willen werken, omdat het gaat om een ‘concullega’. Uiteindelijk zijn wij terechtgekomen bij [betrokkene 1] , dat was betrekkelijk willekeurig. Wij hebben online gezocht naar een bedrijf dat er al langer zit met een gevestigde positie. Daar tegenover wordt nu verwezen naar een verklaring namens Hapak B.V., daar kunnen deskundigen niets mee. Er staat wat die meneer vindt. Hij blijkt ook de uiteindelijke koper te zijn van de handelsvoorraad. Ik weet niet of hij onafhankelijk is, wat hij betaald heeft en waar hij dit bedrag vandaan heeft. Er lijkt een berekening achter de gestelde waarde te zitten, maar die berekening zien we niet terug in de verklaring. De andere overgelegde verklaring ter zake komt toevallig op min of meer hetzelfde bedrag uit, maar daar kunnen deskundigen evenmin wat mee.’
onder 2.2is het oordeel van de rechtbank dat [eisers] in hun reactie op het conceptrapport van 2 september 2021 geen bezwaren hebben geuit op het punt van de waardering van [betrokkene 1] onbegrijpelijk. Zij wijzen erop dat zij in die reactie hebben aangevoerd dat die waardering te laag is, gelet op de gedetailleerde opgave van de handelsvoorraad door [eisers] , in combinatie met de door [betrokkene 1] gehanteerde prijzen op zijn website.
[eisers]had door deskundigen bij deze berekening van de liquidatieschade ‘ook een vergoeding geadviseerd moeten worden wegens de geforceerde verkoop van de voorraad’, nu ‘de waardering zijdens [betrokkene 1] minder oplevert dan de bedrijfseconomische dagwaarde’. Volgens [eisers] is de waardering zijdens [betrokkene 1] niet werkelijk onderbouwd, en mag overigens bij die waardering de wijze van opslag van de voorraad niet doorslaggevend zijn. [eisers] wijzen in dit verband tenslotte nog op de al eerder ‘gesignaleerde toegenomen vraag naar bestratingsmaterialen die zich de laatste tijd heeft ontwikkeld, die gecombineerd met een afgenomen aanbod ook een hogere waarde rechtvaardigt’.
Belastingschade/BTW
daadwerkelijkBTW verschuldigd zijn over de aan hen toekomende schadeloosstelling. Het advies van Countus biedt op dit punt onvoldoende uitsluitsel. Het is aan de belastingrechter – en dus niet aan de civiele (handels)rechter – om die vraag in voorkomend geval te beantwoorden. De rechtbank is met deskundigen van oordeel dat het bijkomend aanbod van ProRail in de gegeven omstandigheden redelijk, het meest passend en toereikend is.
onder 3.1is de overweging van de rechtbank dat niet vaststaat dat [eisers] daadwerkelijk btw verschuldigd zijn over de aan hen toekomende schadeloosstelling onjuist. De rechtbank heeft volgens de stellers van het middel de inhoud van art. 40 Onteigeningswet Pro en art. 3, 7 en 11 Wet OB miskend. Zij betogen dat het in deze zaak gaat om de levering van een onbebouwd bouwterrein dat bestemd is om te worden bebouwd met een of meerdere (gedeelten van) gebouwen, op grond waarvan de levering met btw is belast.
onder 3.6. Die klacht richt zich tegen de overweging van de rechtbank (onder 2.51) dat het aan de belastingrechter – en dus niet aan de civiele rechter – is om de vraag te beantwoorden of [eisers] daadwerkelijk btw verschuldigd zijn over de aan hen toekomende schadeloosstelling. Volgens de stellers van het middel heeft de rechtbank hiermee miskend dat het aan de onteigeningsrechter is om in een en hetzelfde vonnis vast te stellen of een onteigende belastingschade lijdt, en zo ja hoeveel.
dieomstandigheden geldt dat de onteigende, als de onteigeningsrechter niet vaststelt in hoeverre de schadeloosstelling mede een vergoeding voor huurschade omvat, niet de zekerheid heeft of, en zo ja in hoeverre hij die huurschade vergoed krijgt van de onteigenaar. Zoals het zojuist gegeven citaat blijkt, hield het aanbod van de onteigenaar in de zaak uit 1999 ook niet meer in dan dat de schadeclaim van de onteigende alsnog buiten de onteigeningsprocedure ‘zou worden behandeld’.