Conclusie
Nummer22/04318 P
Inleiding
De strafzaak
“opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”en 2.
“opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”veroordeeld tot een taakstraf van zestig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door dertig dagen hechtenis. Het hof heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit bewezen verklaard – kort gezegd – het van 10 januari 2018 tot en met 11 juni 2018 opzettelijk telen van een groot aantal hennepplanten. In de bewezenverklaring is
“een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 133 hennepplanten”doorgehaald.
De ontnemingszaak
€ 22.196,16”
“Wederrechtelijk verkregen voordeel
Vaststelling opbrengst per oogst
Het middel
“ten onrechte”van uit is gegaan dat in de strafzaak is vastgesteld dat ter gelegenheid van de doorzoeking 133 hennepplanten zijn aangetroffen en dat betrokkene die 133 hennepplanten aanwezig heeft gehad. Gelet op het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg [1] en het in de strafzaak gewezen vonnis [2] berust die aanname op een vergissing, aldus de stellers van het middel.
De bespreking van het middel
“een groot aantal hennepplanten”is bewezen verklaard, eveneens aannemelijk geacht dat het bij beide oogsten om 133 hennepplanten ging. Daartoe heeft het hof uitdrukkelijk stilgestaan bij de inhoud van het ontnemingsrapport, alsmede bij de feitelijke indeling en grootte van de aangetroffen kweekruimte.
Aan de ontnemingsrechter komt een zelfstandig oordeel toe over (i) het al dan niet begaan van andere dan de bewezen verklaarde strafbare feiten, (ii) het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat, en (iii) alle verweren die (specifiek) op het voorgaande betrekking hebben. [6]
hoehet arrest in de strafzaak moet worden gelezen en
hoede relevante vaststellingen van de strafrechter (dus) luiden, is in de ontnemingszaak in eerste instantie aan de ontnemingsrechter. Zijn uitleg daarvan is onderhevig aan (slechts) een begrijpelijkheidstoets, indien in cassatie hierover wordt geklaagd.
“het aantreffen van de 133 potten niet automatisch betekent dat er ook 133 planten zijn geweest”. Evenmin doet daaraan af dat het ontnemingsrapport de zinsnede bevat:
“Uit onderzoek in de kwekerij is niet vast komen te staan hoeveel hennepplanten er per vierkante meter stonden.”Ook bij afwezigheid van een concrete vaststelling van het aantal hennepplanten per vierkante meter heeft het hof op toereikende gronden aannemelijk kunnen achten dat twee oogsten van 133 hennepplanten hebben plaatsgevonden, op basis waarvan vervolgens het wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat.
een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 133 hennepplanten”heeft doorgehaald, roept overigens wel de vraag op of voordeel wordt ontnomen uit een delict waarvoor de betrokkene is vrijgesproken. Die vraag kan worden geplaatst in de sleutel van de hiervoor besproken wettelijke taakverdeling tussen de strafrechter en de ontnemingsrechter (de ontnemingsrechter is gebonden aan de door de strafrechter gegeven vrijspraak), maar ook – zonder dat dit m.i. tot verschillende antwoorden leidt – in de sleutel van de onschuldpresumptie. Hoewel de stellers van het middel dat niet met zoveel woorden aanroeren, bespreek ik dat laatste onderwerp toch.
“een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 133 hennepplanten”en de bewezenverklaring van
“een groot aantal”. Het doorgehaalde onderdeel heeft m.i. niet zozeer het karakter van een afzonderlijk verwijt, als wel van een concretisering of precisering, waaraan niet de betekenis kan worden toegekend dat de betrokkene van het betreffende feit is vrijgesproken. De partiële vrijspraak heeft – blijkens de lezing van het strafarrest door de ontnemingsrechter – de strekking dat onbewezen is dat de betrokkene tweemaal ongeveer 133 planten heeft geoogst, hetgeen mij niet onbegrijpelijk voorkomt. Daardoor kan thans niet worden aangenomen dat voordeel wordt ontnomen uit een delict waarvoor de betrokkene is vrijgesproken.