Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
13 juni 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 december 2020, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen na een veroordeling voor gewoontewitwassen.
Betrokkene verzocht in hoger beroep onder meer om het horen van vijf getuigen, wat door het hof werd afgewezen. De ontnemingsvordering werd vastgesteld op € 676.604,32, gebaseerd op strafrechtelijk financieel onderzoek en een methode van eenvoudige kasopstelling waarbij contante uitgaven en inkomsten van zonnebankondernemingen werden betrokken.
In cassatie werd aangevoerd dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden vanwege late aanlevering van stukken door het hof. De Hoge Raad oordeelde dat deze overschrijding inderdaad had plaatsgevonden, maar dat dit niet tot vernietiging van het arrest hoefde te leiden. De overschrijding wordt in samenhang met een aanhangige strafzaak beoordeeld, waar compensatie kan worden overwogen.
De overige cassatiemiddelen werden eveneens verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 RO Pro. De Hoge Raad bevestigde daarmee het hofarrest en verwierp het beroep van betrokkene.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontnemingsvordering van € 676.604,32 na gewoontewitwassen.