Conclusie
Toelichting:
Toelichting:
toelichting:
Toelichting:
Toelichting:
Beoordeling onderzoekswensen
Beginsaldo
Legale contante inkomsten
contanteomzet over de jaren 2007 tot 30 juni 2013 in totaal 965.872,59 euro bedroeg. Dat is bijna een miljoen euro!! En dat deze omzet niet gelogen is blijkt wel uit het Eneco onderzoek welke zich in het dossier bevindt. Zelfs het energieverbruik is namelijk gecontroleerd. En dan hebben we ook nog de omzet per pin. De verbalisanten hebben keurig per vestiging een overzicht gemaakt welk u hieronder aantreft. Het betreft hier enkel en alleen de contante omzet exclusief de contante inbreng van de compagnons en/of contante leningen.
contantebetaling leasetermijnen en cosmetica [B] . Over de periode 2010-2011 zou blijkens dit overzicht voor 67.434,74 euro (leasetermijnen) en 6.164,38 (cosmetica) aan contante betalingen gedaan zijn aan [C] . Dit maakt in totaal 73.599,12 euro. Of moet de stelling van het OM zo geïnterpreteerd worden dat dit overzicht onjuist is en dit bedrag van de contante uitgaven gehaald moet worden en gerede twijfel moet worden gesteld bij deze berekening.
"Wilt u svp aangeven voor welke lokatie de contante betaling zijn gedaan"luidt het antwoord
" [A] op de [d-straat] in [plaats] werd de eerste jaren gerund door de vennoten [betrokkene 8] en [betrokkene]".
beide vennotenvereist is voor een rechtshandeling waarvan het geldelijk belang een bedrag van
vijfhonderd eurooverschrijdt.
nietvoor alles hoefde te betalen. En zo is het. [betrokkene] betaalde ook niet voor alles. Alle kosten en baten waren voor beide vennoten. Dit had te gelden voor zowel [A] [d-straat] als [B] . Er is nergens uit gebleken dat [betrokkene] de betalingen aan [C] voor zijn rekening en risico heeft genomen en dat deze uit zijn vermogen afkomstig waren, integendeel. De rechtbank acht het in haar vonnis in algemene zin wel aannemelijk dat door een compagnon geld wordt ingebracht in een startende onderneming, maar gaat er vervolgens aan voorbij dat het in algemene zin eveneens aannemelijk is dat deze zelfde compagnon - bij een 50/50 verdeling - ook de helft van de kosten draagt. Zeker als deze compagnons meegetekend en ingestemd hebben met de overeenkomsten welke met [C] zijn aangegaan. [betrokkene] , [betrokkene 8] , [betrokkene 9] , [betrokkene 11] en [betrokkene 7] geven alleen dezelfde verklaring over deze betalingen en de herkomst daarvan. De verklaringen van deze getuigen maken dat niet kan worden gezegd dat het onvoldoende duidelijk is dat de betalingen aan [C] niet uit het vermogen van [betrokkene] komen. Bovendien wordt de verklaring van [betrokkene] ondersteund door getuigen en verificatoire bescheiden welke zich in het dossier bevinden.’
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
, [betrokkene 2] en [betrokkene 16] , verklaarden beiden dat alle broers de hadden betaald aan de bouwmaterialen, en dat er geen vaste afspraken waren gemaakt voor verdeling van de kosten.
, dat alle broers meebetaalden aan de bouwmaterialen die werden aangeschaft. Dat de naam vanbetrokkene
of de naam “ [betrokkene] ” (nog los van de vraag of betrokkene daarmee wordt bedoeld) vaker op de facturen vermeld staat dan de namen van zijn broers, is voor de rechtbank van onvoldoende betekenis om op grond daarvan een groter aandeel aanbetrokkene
toe te schrijven. De rechtbank acht aannemelijk datbetrokkene
een vijfde deel van het totaalbedrag voor zijn rekening heeft genomen, te weten (€ 96.238,-/5) € 19.247,60.
heeft op de terechtzitting van 8 november 2017 verklaard dat al zijn broers meebetaalden aan de aannemer.
de enige was die betalingen verrichtte aan de aannemer. De aannemer verklaart dat hij naastbetrokkene
ook contact had met [betrokkene 2] en [betrokkene 17] . Verder verklaart hij dat hij niet alleen werd betaald doorbetrokkene
, maar ook door [betrokkene 2] . De rechtbank gaat daarom uit van de verklaring vanbetrokkene
dat hij en zijn broers een evenredig deel hebben betaald. Het totale bedrag dat aan de aannemer is betaald, wordt daarom gedeeld door vijf. Dit betreft een bedrag van (€ 19.690,- /5) € 3.938,-.
heeft ter terechtzittingin eerste aanleg
verklaard dat hij het gehele bedrag van MAD 650.000 contant heeft betaald.
heeft ter terechtzittingin eerste aanleg
verklaard dat hij dit stuk grond heeft gekocht van zijn tante en de prijs van de grond contant heeft voldaan.
van 8 november 2017 heeftbetrokkene
verklaard dat hij één of twee keer met kerst cadeaubonnen heeft gegeven aan zijn personeelsleden van de [A] aan de [d-straat] .
vanuit dat hij twee keer cadeaubonnen heeft gegeven van (minimaal) € 70,- aan zijn personeelsleden van de [A] aan de [d-straat] . Dit komt bij vijf personeelsleden neer op een bedrag van (€ 70,-* 5 *2) € 700,-
deze betalingen van in totaal € 280,-. contant heeft voldaan.
eerstemiddel ziet op de afwijzing van een verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] . Die afwijzing zou onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd zijn nu de berekening van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op (het resultaat van) een eenvoudige kasopstelling en de verzochte getuigen blijkens hetgeen aan de verzoeken ten grondslag is gelegd kunnen verklaren over de aard en omvang van door (onder anderen) de betrokkene gegenereerde legale contante inkomsten uit luzernehandel, olijfoliehandel en de handel in exportauto’s c.q. auto-onderdelen.
tweedemiddel bevat de klacht dat ’s hofs oordeel dat op grond van het tegen de betrokkene ingestelde strafrechtelijk financieel onderzoek aannemelijk is dat het in de strafzaak bewezenverklaarde witwassen of andere strafbare feiten ertoe hebben geleid dat de betrokkene een bedrag van € 676.604,32 aan wederrechtelijk voordeel heeft genoten, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet (zonder meer) begrijpelijk is. De steller van het middel voert daarbij aan dat die ‘aannemelijkheid’ slechts gebaseerd is op het negatief resultaat van de eenvoudige kasopstelling. Mede gelet op het feit dat de betrokkene in de strafzaak enkel is veroordeeld wegens witwassen zou die vaststelling onvoldoende grond vormen om dit ‘kasverschil’ als wederrechtelijk door de betrokkene verkregen voordeel aan te kunnen merken. Een dergelijk ‘kasverschil’ zou niet meer aantonen dan dat betrokkene moet hebben beschikt over een onverklaarde bron van contante gelden. Daarmee zou nog niet zijn vastgesteld aan wie dat contante geld toekomt en in wiens vermogen dat geld is gevloeid.
voeringzijn, in artikel 511d, eerste lid, Sv als voorgesteld, de regels van de bewijsvoering voor het onderzoek van een strafzaak ter terechtzitting van overeenkomstige toepassing verklaard. Daaraan is toegevoegd, dat degene die aan de ontnemingsmaatregel onderworpen kan worden tijdens het onderzoek ter terechtzitting niet verplicht is tot antwoorden, ook al heeft hij, voor wat betreft het grondfeit, niet meer de status van verdachte. Partij zijnde, kan hij dus niet, zoals onder het civiele bewijsrecht, geroepen worden in eigen zaak als getuige op te treden.
middelenschrijft de wet voor - thans in artikel 338, tweede lid, Sv; in de voorstellen van de ondergetekende in artikel 511f Sv –, dat de rechter de schatting van het op geld waardeerbare voordeel slechts kan ontlenen aan de inhoud van wettelijke bewijsmiddelen, als opgesomd in art. 339 Sv Pro. Dit geldt voordeel in de zin van zowel het tweede als het derde lid van artikel 36e Sr. (…)
beneficial owneris. Als bijvoorbeeld een subject op verzoek van én ten gunste van een derde een auto koopt met (illegaal) contant geld dat hij met dat doel van die derde heeft ontvangen, zou deze uitgavenpost de kasopstelling van het subject contamineren (en ten onrechte ontbreken in de kasopstelling van de derde). Gelijke overwegingen gaan op voor een subject dat een bedrag aan contant geld waarvan hij geen economisch eigenaar is stort op een bankrekening waarvan het saldo effectief een derde toekomt.
in feitede beschikking had over het geld of de zeggenschap over de bankrekening waarop het is gestort. Ook de aard van het delict kan hierbij in aanmerking worden genomen.’
derdemiddel houdt in dat het onbegrijpelijk is dat het hof de contante uitgaven en inkomsten van de zonnebankondernemingen in de kasopstelling heeft betrokken als door de economische eenheid tussen de betrokkene en zijn vrouw gedaan. De steller van het middel voert daarbij aan dat de verdediging in de strafzaak heeft betoogd dat de zonnebankondernemingen op zichzelf staande economische eenheden waren die geen verwevenheid hadden met de economische eenheid tussen de betrokkene en diens echtgenote in privé. Dat de betrokkene bepaalde contante uitgaven heeft gedaan namens de zonnestudio’s zou niet maken dat deze uitgaven ten laste van zijn (contante) privévermogen zijn gekomen. Het hof zou daarom bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel voor zover deze op het resultaat van de eenvoudige kasopstelling gebaseerd is, geen acht hebben mogen slaan op deze uitgaven.
vierdemiddel bevat de klacht dat het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn, in het bijzonder de inzendingstermijn in cassatie, is geschonden.