2.5.2De hiervoor bedoelde berekeningswijze van de (eenvoudige) kasopstelling kan ook worden gehanteerd bij de toepassing van het hiervoor onder 2.4 genoemde tweede lid van artikel 36e Sr, indien het aan de hand van die berekening vastgestelde bedrag in voldoende mate kan worden gerelateerd aan het feit of de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld dan wel aan andere, concreet aangeduide strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr. Indien de rechter dat bedrag relateert aan witwassen zoals dat in de strafzaak is bewezenverklaard of indien dat witwassen als ander feit in de zin van artikel 36e lid 2 Sr is aangemerkt, geldt echter wel wat onder 2.4.2 en 2.4.3 is overwogen.’
41. Vellinga signaleert in zijn NJ-noot (randnummer 12) dat Uw Raad hetgeen wordt uiteengezet over door witwassen te verkrijgen voordeel niet toepast ‘op het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in art. 36e lid 3 Sr. Onder omstandigheden kan dat voordeel worden bepaald aan de hand van de eenvoudige kasopstelling. De rechter hoeft echter niet te concretiseren welke andere strafbare feiten tot het berekende voordeel hebben geleid (r.o. 2.5.1). Dan komt de vraag of witwassen het berekende voordeel wel kon genereren niet aan de orde en mist hetgeen de Hoge Raad overwoog over het brengen van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de van witwassen veroordeelde toepassing. Mijns inziens ligt dit anders wanneer het bewezenverklaarde misdrijf witwassen is. Dan zie ik in de wijze van berekening van het voordeel, de eenvoudige kasopstelling, geen reden voorbij te gaan aan de vraag of witwassen dat voordeel wel kon genereren net zo min als dat het geval is bij ontneming van voordeel uit ‘andere strafbare feiten’ (art. 36e lid 2 Sr)’.
42. De steller van het middel sluit zich daarbij aan. De loutere uitkomst van de kasopstelling zou – bij een veroordeling wegens witwassen, zo begrijp ik - onvoldoende grond vormen voor de vaststelling dat er sprake is geweest van andere strafbare feiten die er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het gebruik van het woord ‘mede’ in rechtsoverweging 2.5.1 zou erop duiden dat naast een ‘kasverschil’ aanvullende feiten en omstandigheden moeten worden vastgesteld die het aannemelijk maken dat het bewezenverklaarde witwassen of andere strafbare feiten voor de betrokkene hebben geleid tot wederrechtelijk voordeel.
43. Uit rechtsoverweging 2.5.1 volgt dat Uw Raad het ‘onder omstandigheden mogelijk’ acht om op grond van het derde lid van art. 36e Sr wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen van een betrokkene die is veroordeeld wegens witwassen. Uit de volgende zin blijkt dat Uw Raad ontneming op deze grondslag (zonder restrictie) mogelijk acht ‘wanneer uit een kasopstelling blijkt dat de betrokkene in een bepaalde periode uitgaven heeft gedaan die niet met zijn legale inkomsten kunnen worden verklaard en het mede in het licht daarvan aannemelijk is dat het bewezenverklaarde misdrijf “of andere strafbare feiten” hebben geleid tot wederrechtelijk voordeel’. Dat deze conclusie ‘mede’ in het licht van de kasopstelling aannemelijk dient te zijn, begrijp ik aldus dat andere verklaringen voor de uitkomst van de kasopstelling, die mee zouden brengen dat het verschil niet uit misdrijf afkomstig is, in de afweging dienen te worden betrokken. Deze formulering impliceert – meen ik - niet dat (alleen) bij witwassen meer dient vast te staan omtrent het begaan zijn van de andere strafbare feiten dan bij andere misdrijven.
44. Die benadering is naar het mij voorkomt in lijn met de wetsgeschiedenis van art. 36e, derde lid, Sr. Daaruit blijkt dat geen rechtstreekse relatie behoeft te worden aangetoond tussen het voordeel en het feit waarvoor de betrokkene is veroordeeld. De wetgever stelde aanvankelijk twee voorwaarden. In de eerste plaats diende de betrokkene schuldig te zijn bevonden aan een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. In die context worden niet alleen ‘lucratieve’ delicten als voorbeeld genoemd, maar ook ‘andere misdrijven die in de sfeer van de zware (georganiseerde) misdaad worden begaan (…) zoals misdrijven uit de Wet wapens en munitie’. De tweede voorwaarde is de verplichting tot het houden van een strafrechtelijk financieel onderzoek; deze verplichting is in 2011 vervallen. Als eerste ‘bewijsmoment’ wordt genoemd ‘dat er sprake is van voordeel waarvan aannemelijk is dat daar op enigerlei wijze een wederrechtelijke vorm van verkrijging aan ten grondslag ligt’. Het tweede ‘bewijsmoment’ betreft ‘de bepaling of schatting van de omvang van zulk voordeel’. En de rechter kan de aannemelijkheid dat op enigerlei wijze wederrechtelijk voordeel is verkregen ‘gronden op de door het openbaar ministerie bewezen stelling, dat de veroordeelde over aanzienlijke vermogensbestanddelen beschikt die in redelijkheid niet geacht kunnen worden uit de legale inkomsten van de veroordeelde verworven te zijn, terwijl deze niet aannemelijk kan maken dat hij zich legitiem heeft verrijkt’.
45. Wat wellicht tot enige aarzeling aanleiding kan geven is de bespreking van de casus die leden van de fractie van D66 aan de minister hebben voorgelegd. Deze passage, op zichzelf beschouwd, kan de gedachte doen opkomen dat een onverklaarbaar deel van het vermogen slechts mag worden ontnomen indien een ander deel aan strafbare feiten kan worden toegerekend. Deze formuleringen worden evenwel verklaard door de omstandigheid dat hier de voorgelegde casus wordt besproken. Dat in het geval van een veroordeling wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie een vermogensvergelijking of kasopstelling in beginsel een toereikende basis voor voordeelsontneming op grond van artikel 36e, derde lid, Sr kan zijn, is nadien bevestigd door – de parlementaire behandeling van – de wetswijziging in 2011. Nadat de aanvankelijke toelichting nog de gedachte kon doen opkomen dat het voorgestelde wettelijke bewijsvermoeden feitelijk een inperking opleverde van de mogelijkheden om op grond van artikel 36e, derde lid, Sr tot voordeelsontneming te komen, is een en ander bij nota van wijziging rechtgezet.
46. Dat in de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat tot de wet van 1 maart 1993 leidde geen aandacht is besteed aan de toepassing van deze regeling bij witwassen, wordt verklaard door de omstandigheid dat witwassen pas later strafbaar is gesteld.Dat in het kader van de parlementaire behandeling van de wetswijziging in 2011 niet is ingegaan op de verhouding van art. 36e Sr tot de strafbaarstelling van witwassen, kan worden verklaard door de omstandigheid dat de wetgever een andere weg voor ogen stond om de mogelijkheden van voordeelsontneming te verruimen.Argumenten voor een afwijkende wijze van toepassing van het derde lid kunnen daar naar het mij voorkomt niet in gevonden worden. Dat de verschillen in toepassing tussen het tweede en derde lid van art. 36e Sr bij witwassen zo groot zijn, wordt naar het mij voorkomt verklaard door de andere functie die de wetgever (de veroordeling wegens) het vastgestelde strafbare feit in de context van het derde lid heeft gegeven. Het gaat om een voorwaarde voor toepassing, van een causaal verband met het voordeel behoeft geen sprake te zijn.
47. De steller van het middel refereert vervolgens aan de conclusie van A-G Aben voor een arrest van Uw Raad van 30 november 2021.Hij citeert de volgende randnummers:
‘9. (…) Indien de rechter voor het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel en het vaststellen van de omvang daarvan, alsook voor het bewijs van witwassen gebruikmaakt van de uitkomst van een eenvoudige kasopstelling, zal de rechter de beperkingen van die methode in ogenschouw moeten nemen.
10. Het gaat bij een eenvoudige kasopstelling uiteindelijk slechts om het verbinden van gevolgtrekkingen aan de uitkomst van een vergelijking van twee saldi. Het eerste saldo betreft het totaal aan contante uitgaven en bankstortingen die een persoon heeft verricht gedurende de onderzochte periode, tezamen met het eindsaldo aan contant geld van die periode. Het tweede saldo betreft het (legale) contante geld dat voor die persoon gedurende de onderzochte periode voor uitgave beschikbaar is (gekomen), te weten het totaal aan legale contante ontvangsten en bankopnames gedurende de onderzochte periode, tezamen met het beginsaldo aan contant geld van die periode. De mate waarin het eerste saldo het tweede overstijgt (het ‘surplus’) legt een onverklaarde bron van contante gelden bloot van een omvang die ten minste gelijk is aan die van het surplus.
11. In een tijdsgewricht waarin legale (contante) inkomsten in de regel verantwoord kunnen worden, mag, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, worden aangenomen dat het surplus de omvang weerspiegelt van een illegale bron van contante gelden. In zo’n geval mag er in beginsel van worden uitgegaan dat een of meer geldbedragen die gedurende de onderzochte periode contant werden uitgegeven (of op een bankrekening gestort) met een totale waarde gelijk aan dat van het surplus middellijk of onmiddellijk van misdrijf afkomstig waren. Welke contante geldbedragen (geheel of gedeeltelijk) een illegale herkomst hadden, dat leert de eenvoudige kasopstelling niet.
12. De eenvoudige kasopstelling leert evenmin of het vermogen van de betrokkene gedurende de onderzochte periode (wederrechtelijk) is toegenomen met een bedrag dat het eventuele surplus evenaart. Een surplus in een eenvoudige kasopstelling toont alleen aan – in essentie op basis van de wetten van de fysica – dat de betrokkene moet hebben beschikt over een onverklaarde bron van contante gelden. Zoals gezegd mag daarvan, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, worden aangenomen dat die een criminele herkomst hebben. Daarmee is echter nog niet vastgesteld aan wie dat contante geld toekomt en in wiens vermogen dat criminele geld is gevloeid.
13. Voorzichtigheid is geboden bij het (eventuele) uitgangspunt dat de betrokkene de contante gelden voor zichzelf heeft ontvangen en uitgegeven, en dat die gelden aldus zijn eigen cashflow representeren. De kasopstelling kan een onjuiste voorstelling van zaken geven indien en voor zover de betrokkene van het betreffende vermogensbestanddeel géén
beneficial owneris. Als bijvoorbeeld een subject op verzoek van én ten gunste van een derde een auto koopt met (illegaal) contant geld dat hij met dat doel van die derde heeft ontvangen, zou deze uitgavenpost de kasopstelling van het subject contamineren (en ten onrechte ontbreken in de kasopstelling van de derde). Gelijke overwegingen gaan op voor een subject dat een bedrag aan contant geld waarvan hij geen economisch eigenaar is stort op een bankrekening waarvan het saldo effectief een derde toekomt.
14. Om de eigendomsvraag te beantwoorden is aanvullende informatie nodig. Die kan zo mogelijk worden gevonden in het antwoord op bijvoorbeeld de vragen wie de gebruiker is van het voorwerp dat met het berispelijke contante geld is aangeschaft, ten gunste van wiens vermogen de uitgave strekte, of wie
in feitede beschikking had over het geld of de zeggenschap over de bankrekening waarop het is gestort. Ook de aard van het delict kan hierbij in aanmerking worden genomen.’
48. De steller van het middel leidt uit deze randnummers, zo begrijp ik, steun af voor het standpunt dat bij toepassing van art. 36e, derde lid, Sr na een veroordeling wegens witwassen ‘aanvullende feiten en omstandigheden moeten worden vastgesteld die het aannemelijk maken dat het bewezenverklaarde witwassen of andere strafbare feiten’ voor de betrokkene hebben geleid tot wederrechtelijk voordeel. Zelf begrijp ik deze kanttekeningen bij voordeelsberekening op basis van een eenvoudige kasopstelling anders. Aben vraagt de aandacht voor de mogelijkheid dat de betrokkene een auto koopt op verzoek van en ten gunste van een derde met (illegaal) contant geld dat hij met dat doel van deze derde heeft ontvangen; deze uitgavenpost zou de kasopstelling van de betrokkene contamineren. Uit het betoog van Aben volgt niet dat deze mogelijkheid specifiek in het geval van voordeelsontneming na een veroordeling wegens witwassen een rol speelt. Aben waarschuwt er – terecht – voor dat deze mogelijkheid bij elke toepassing van een eenvoudige kasopstelling in het oog moet worden gehouden.
49. In de cassatieschriftuur in de ontnemingszaak wordt ook niet aangevoerd dat er specifieke gronden zijn om aan te nemen dat het door Aben gesignaleerde risico zich heeft gerealiseerd.
50. De steller van het middel meent dat in het derde lid van art. 36e Sr twee toetsmomenten besloten liggen. Het eerste betreft de vraag ‘of er überhaupt door iemand strafbare feiten zijn gepleegd’. Het tweede betreft de vraag of de betrokkene hieruit wederrechtelijk voordeel heeft genoten. Inzake het eerste toetsmoment voert de steller van het middel aan dat het hof bij de verwerping van art. 36e, tweede lid, Sr als grondslag voor ontneming heeft overwogen dat het geen feiten heeft kunnen vaststellen die kunnen worden aangemerkt als ‘andere strafbare feiten’. Dat het hof vervolgens een kasverschil van € 676.604,32 als wederrechtelijk verkregen voordeel aanmerkt, zou getuigen van een onjuist rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk zijn omdat in ’s hofs overwegingen besloten ligt dat andere strafbare feiten die tot dit wederrechtelijk verkregen voordeel hebben geleid niet aannemelijk zijn geworden. Daar zou nog bij komen dat louter de constatering van een kasverschil niet zonder meer meebrengt dat dit verschil wederrechtelijk voordeel behelst dat de betrokkene op enigerlei wijze uit (al dan niet door anderen gepleegde) strafbare feiten heeft verkregen.
51. Het hof heeft de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op een eenvoudige kasopstelling. Het hof heeft eerst overwogen dat en waarom het contante beginsaldo uit legale bron op 1 januari 2006 € 0 bedroeg. Vervolgens heeft het hof de legale contante inkomsten in kaart gebracht. Het hof heeft in dat kader verwezen naar de bespreking in het arrest in de strafzaak van verweren die ‘tegen de hoogte van een aantal in de kasopstelling opgenomen inkomstenbronnen’ zijn gevoerd. Tegen die werkwijze wordt door de steller van het middel geen bezwaar gemaakt. Daarna heeft het hof de contante uitgaven besproken. In deze berekening zijn in totaal 19 posten opgenomen. Het hof heeft overwogen dat in de strafzaak verweer is gevoerd tegen de hoogte van een aantal van de onder 1 t/m 11 genoemde posten, en verwijst naar die bespreking. Ook daartegen wordt door de steller van het middel geen bezwaar gemaakt. Inzake de (hoogte van de) uitgavenposten 12 t/m 19 merkt het hof op dat deze door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep niet (opnieuw) zijn betwist. Het hof heeft vervolgens enkele overwegingen van de rechtbank – met aanpassingen overgenomen. Ook tegen de aldus vastgestelde contante uitgaven wordt in (de toelichting op) dit middel geen bezwaar gemaakt.
52. De onderhavige deelklacht komt er feitelijk op neer dat het hof, zonder dat een verweer met die strekking is gevoerd, gelet op (zo begrijp ik) de enkele omstandigheid dat de veroordeling op (gewoonte)witwassen ziet, gehouden was nadere vaststellingen te doen inzake de strafbare feiten die tot het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel hebben geleid en de mogelijkheid dat contante uitgaven die het hof in de eenvoudige kasopstelling heeft opgenomen uitgaven betreffen die op verzoek en ten gunste van derden met door deze derden daartoe ter beschikking gestelde (illegale) gelden zijn gedaan. Die stelling vindt geen steun in het recht.
53. Al met al getuigt ’s hofs oordeel dat gelet op het tegen de verdachte ingestelde strafrechtelijk financieel onderzoek aannemelijk is dat het in de strafzaak bewezenverklaarde witwassen of andere strafbare feiten ertoe hebben geleid dat de betrokkene een bedrag van € 676.604,32 aan wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.
54. Het tweede middel faalt.
55. Het
derdemiddel houdt in dat het onbegrijpelijk is dat het hof de contante uitgaven en inkomsten van de zonnebankondernemingen in de kasopstelling heeft betrokken als door de economische eenheid tussen de betrokkene en zijn vrouw gedaan. De steller van het middel voert daarbij aan dat de verdediging in de strafzaak heeft betoogd dat de zonnebankondernemingen op zichzelf staande economische eenheden waren die geen verwevenheid hadden met de economische eenheid tussen de betrokkene en diens echtgenote in privé. Dat de betrokkene bepaalde contante uitgaven heeft gedaan namens de zonnestudio’s zou niet maken dat deze uitgaven ten laste van zijn (contante) privévermogen zijn gekomen. Het hof zou daarom bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel voor zover deze op het resultaat van de eenvoudige kasopstelling gebaseerd is, geen acht hebben mogen slaan op deze uitgaven.
56. De raadslieden hebben op de terechtzitting in hoger beroep gehouden op 24 november 2020 in het pleidooi in algemene zin gesteld ‘dat betalingen ten behoeve van een VOF door beide vennoten gedaan worden’. Het zou niet voor de hand liggen dat leasebetalingen en/of uitgaven uit het afgescheiden vermogen van één van beide vennoten betaald zouden zijn. Nu er ‘geen enkel (direct) bewijs in het dossier voorhanden’ zou zijn waaruit zou kunnen volgen dat de contante uitgaven uit eigen vermogen door de betrokkene zijn gedaan zouden zij niet aan hem kunnen worden toegerekend. En ook bij [C] zou op basis van de omstandigheid dat [betrokkene 8] en [betrokkene 9] deelgenoten zijn in de VOF en mede aansprakelijk zijn voor alle betalingsverplichtingen en overeenkomsten de conclusie moeten worden getrokken dat de betalingen niet aan de betrokkene kunnen worden toegerekend. De raadslieden wijzen er daarbij nog op dat de ‘in het in het dossier aanwezige kwitanties (…) door diverse personen zijn gedaan, waaronder ook [betrokkene 9] ’.
57. De voorzitter heeft blijkens het proces-verbaal van de betreffende terechtzitting tijdens de voordracht van de pleitnota aan de raadsman die het woord voerde gevraagd of hij hem goed begrijpt ‘als hij zegt dat de contante betalingen met betrekking tot de [A] volgens hem niet als uitgavenposten moeten worden gezien’. Deze raadsman heeft daarop geantwoord dat dit klopt, ‘die uitgaven zijn namelijk gedaan door de VOF en niet door cliënt zelf’. De andere raadsman heeft daarop aangevuld: ‘Cliënt en zijn compagnon waren beiden verantwoordelijk. Wij gaan daarom uit van een 50/50-verdeling waar het gaat om de gedane uitgaven. U, voorzitter, vraagt mij van welke verdeling de verdediging uitgaat waar het de inkomsten betreft. Cliënt en [betrokkene 8] hebben beiden verklaard dat [betrokkene 8] geen inkomsten uit de [A] [d-straat] haalde. Met betrekking tot de [B] heeft cliënt verklaard dat alle contante inkomsten in het begin naar [C] gingen en zelfs moest worden bij geleend. Daar zijn dus geen inkomsten uit gehaald.’
58. Het hof heeft in het arrest in de strafzaak overwogen dat de betrokkene eigenaar is van twee zonnestudio’s. Op 27 februari 2007 is hij de [A] gestart samen met [betrokkene 8] . De [B] is op 1 april 2012 opgericht door de betrokkene samen met [betrokkene 9] . De totale omzet bestaat uit omzet per pin voldaan en contante omzet. De contante omzet over de jaren 2007 tot en met 30 juni 2013 is bepaald op € 965.872,59. Het hof heeft in de strafzaak geoordeeld dat deze contante inkomsten voldoende zijn komen vast te staan en door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep niet zijn betwist. Het hof heeft dit bedrag vervolgens ook in de ontnemingszaak integraal opgenomen als een door de betrokkene tijdens de onderzoeksperiode legaal contant ontvangen geldbedrag.
59. Het hof heeft ook de contante betalingen ten behoeve van beide zonnestudio’s en [C] (leasemaatschappij voor zonnebanken en cabines voor zonnestudio’s) in de kasopstelling meegenomen. In het arrest in de strafzaak is uit de administratie van de [A] en de afschriften van de vijf rekeningen van de betrokkene en diens echtgenote afgeleid dat, afgezien van contante betalingen aan [C] , in de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 juni 2013 in totaal € 248.816,38 contant is betaald met betrekking tot beide zonnestudio’s. Daarnaast is (op basis van door [C] verstrekte gegevens) vastgesteld dat in de periode van 1 januari 2007 tot en met 23 juli 2013 een bedrag van € 391.267,63 contant is betaald aan [C] . In reactie op het verweer dat deze contante betalingen niet kunnen worden meegenomen als uitgavenposten omdat [betrokkene 8] en [betrokkene 9] mede aansprakelijk waren voor alle betalingsverplichtingen en – overeenkomsten en uit niets blijkt dat deze contante betalingen zijn gedaan uit het eigen vermogen van de betrokkene heeft het hof in het arrest in de strafzaak overwogen dat het moet bekijken ‘welke contante uitgaven verdachte heeft gedaan en uit welke contante inkomstenbronnen hij dit heeft gedaan’. Dat [betrokkene 8] ten aanzien van de [A] en [betrokkene 9] ten aanzien van de [B] als vennoten mede aansprakelijk zijn voor een bepaalde schuld en (hierdoor) ook contante betalingen ten behoeve van de [A] hebben gedaan, zou daarvoor niet van belang zijn.
60. Uit ’s hofs vaststellingen in beide arresten volgt aldus dat het in de berekening betrekken van de contante inkomsten en de contante uitgaven van de zonnestudio’s heeft meegebracht dat het witgewassen bedrag lager is vastgesteld dan zou zijn gebeurd in het geval waarin deze contante inkomsten en uitgaven niet of voor een (voor inkomsten en uitgaven gelijk) deel niet in de berekening waren betrokken. Dat het totale bedrag aan contante omzet als door de betrokkene legaal contant ontvangen geldbedrag in de beschouwing is betrokken heeft het witgewassen bedrag (veel) sterker verlaagd dan dat het als contante betalingen ten behoeve van de zonnestudio’s en [C] in aanmerking genomen bedrag het heeft verhoogd.
61. Anders dan de steller van het middel lees ik in hetgeen de raadslieden hebben aangevoerd niet dat deze ‘in feite (hebben) betoogd dat – kort gezegd – de zonnebankondernemingen op zichzelf staande economische eenheden waren, die geen verwevenheid hadden met de economische eenheid’ tussen betrokkene en diens echtgenote in privé. Het begrip ‘economische eenheid’ komt in de pleitnota in hoger beroep niet voor. Ik merk in dit verband ook op dat de raadslieden zich in de pleitnota en blijkens de aanvullende opmerking die zij ter terechtzitting hebben gemaakt er niet tegen hebben verzet dat de contante omzet van beide zonnestudio’s in de kasopstelling integraal als door de betrokkene legaal contant ontvangen geldbedrag in aanmerking is genomen.
62. Het hof heeft in de strafzaak voorts vastgesteld dat de betrokkene en zijn echtgenote over vijf Nederlandse bankrekeningen beschikten, op naam van de [A] , de [B] , [betrokkene] en [betrokkene 12] (2x). En dat (naar ik begrijp: al) deze bankrekeningen zowel voor zakelijke als privé-uitgaven zijn gebruikt. Mede in het licht van die vaststelling kon het hof naar het mij voorkomt bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel voorbij gaan aan de opmerking van de raadslieden over het bestaan van een afgescheiden vermogen.
63. Kern van het gevoerde verweer is dat de omstandigheid dat [betrokkene 8] en [betrokkene 9] vennoten waren meebrengt dat niet alle contante betalingen op het conto van de betrokkene geschoven kunnen worden. Het hof stelt in de strafzaak in zijn reactie voorop dat het hof moet bekijken ‘welke contante uitgaven verdachte heeft gedaan en uit welke contante inkomstenbronnen hij dit heeft gedaan’. In die context merkt het hof vervolgens op dat de omstandigheid dat [betrokkene 8] en [betrokkene 9] als vennoten mede aansprakelijk zijn voor een bepaalde schuld en (hierdoor) ook contante betalingen hebben gedaan ten behoeve van de [A] , hiervoor niet van belang zijn. Ik begrijp deze overweging aldus dat het hof een verband legt tussen de contante uitgaven en de contante inkomsten die met de zonnestudio’s verband houden. Nu de contante inkomsten aan de betrokkene zijn toegerekend, zijn ook alle contante uitgaven (als daaruit betaald) aan de betrokkene toegerekend. Dat komt mij niet onbegrijpelijk voor. In het arrest in de ontnemingszaak verwijst het hof naar (onder meer) deze verwerping van een gevoerd verweer dat betrekking heeft op uitgavenposten 3 en 5..
64. In het licht van (deze verwijzing naar) hetgeen het hof in de strafzaak heeft overwogen meen ik dat het niet onbegrijpelijk is dat het hof de contante uitgaven ten behoeve van de zonnebankondernemingen in de kasopstelling heeft betrokken als door de economische eenheid tussen de betrokkene en zijn vrouw gedaan.
65. Ik merk daarbij op dat de werkwijze die het hof in de onderhavige zaak heeft gevolgd, waarbij voor een groot deel van de onderbouwing van de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt verwezen naar de onderbouwing van de bewezenverklaring van witwassen in de strafzaak, niet overeenkomstig de wet is. De gewenste helderheid van de procesvoering die in ander verband meebrengt dat Uw Raad er in beginsel strak de hand aan houdt dat alleen verweren die ter terechtzitting worden gevoerd bespreking behoeven, pleit ervoor ook alleen overwegingen in het bestreden arrest bij de beoordeling in cassatie te betrekken. Nu in de onderhavige zaak in cassatie niet geklaagd wordt over de gevolgde werkwijze, meen ik evenwel dat de overwegingen in de strafzaak waar het hof in de ontnemingszaak naar verwijst bij de beoordeling van de klacht kunnen worden betrokken. Aan de vraag of, in het geval die overwegingen daar niet bij zouden mogen worden betrokken, in het licht van die overwegingen desalniettemin belang bij cassatie ontbreekt, kom ik tegen die achtergrond niet toe.
66. Het derde middel faalt.
67. Het
vierdemiddel bevat de klacht dat het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn, in het bijzonder de inzendingstermijn in cassatie, is geschonden.
68. Namens de betrokkene is op 24 december 2020 cassatie ingesteld tegen het bestreden arrest. De stukken van het geding zijn op 30 maart 2022 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de inzendingstermijn van acht maanden met iets meer dan zeven maanden is overschreden.
69. Het vierde middel slaagt.
70. Het eerste, tweede en derde middel falen en kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering worden afgedaan. Het vierde middel slaagt. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad meer dan twee jaar nadat het cassatieberoep is ingesteld uitspraak zal doen. Nu de redelijke termijn eveneens is overschreden in de strafzaak, waarin ik vandaag eveneens concludeer, behoeft een en ander niet tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting te leiden.Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
71. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden