De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op €75.755,91 en de betrokkene is veroordeeld tot betaling van dat bedrag aan de Staat.
De kern van het geschil betreft de toepassing van een eenvoudige kasopstelling als methode voor het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel in een witwaszaak. De verdediging voerde onder meer aan dat het beginsaldo van €60,- onbegrijpelijk was, dat het voordeel niet door andere strafbare feiten dan witwassen was verkregen, en dat een bedrag van circa €60.000 aan huurpenningen ten onrechte niet in mindering was gebracht.
De Hoge Raad overweegt uitgebreid dat witwassen op zichzelf geen voordeel oplevert en bevestigt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden vastgesteld op grond van artikel 36e lid 3 Sr indien aannemelijk is dat het bewezenverklaarde misdrijf of andere strafbare feiten hebben geleid tot voordeel. De eenvoudige kasopstelling wordt als betrouwbaar beoordeeld en de vrijspraak van witwassen van huurpenningen sluit niet uit dat deze huurpenningen buiten de kasopstelling worden gelaten. Het cassatieberoep wordt verworpen.