ECLI:NL:HR:2023:868

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juni 2023
Publicatiedatum
8 juni 2023
Zaaknummer
22/00253
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Nietig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:267 lid 1 BWArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest hof over stuiting verjaring bij aansprakelijkheid advocaat

In deze cassatieprocedure staat de aansprakelijkheid van een advocatenmaatschap voor een beroepsfout centraal, waarbij de vraag speelt of de verjaring van de vordering tot terugbetaling van honorarium rechtsgeldig is gestuit.

De eiseres vorderde terugbetaling van het honorarium dat zij aan de maatschap had betaald voor procedures die de maatschap namens haar had gevoerd. De kantonrechter wees de vordering af omdat niet was gesteld dat de overeenkomst was ontbonden. Het hof stelde echter vast dat de verjaringstermijn was gestuit door een brief, een stuiting die door de eiseres niet was betwist in hun antwoordakte.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de stuiting niet was betwist, omdat de eiseres geen gelegenheid hadden gekregen om op de stuiting te reageren. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling. In een tweede zaak wordt het principale beroep verworpen en het incidentele beroep niet behandeld omdat het geen nieuwe klachten bevat.

De Hoge Raad reserveert de beslissing over de kosten in cassatie en begroot deze voorlopig. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een vierde raadsheer.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens schending van hoor en wederhoor en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummers22/00253 en 22/00272
Datum9 juni 2023
ARREST
In de zaak met nummer 22/00253 van
1. de ontbonden [de maatschap],
voorheen gevestigd te [vestigingsplaats], hierna: [de maatschap], en
de ontbonden vennootschappen
2. [advocatenkantoor 1] B.V.,
voorheen gevestigd te [vestigingsplaats],
3. [advocatenkantoor 2] B.V.,
voorheen gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERESSEN tot cassatie,
hierna: [eisers],
advocaat: K. Aantjes,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats], Verenigde Staten van Amerika,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [verweerder],
niet verschenen,
en in de zaak met nummer 22/00272 van
[verweerder],
wonende te [woonplaats], Verenigde Staten van Amerika,
EISER tot cassatie, verweerder in het incidentele cassatieberoep,
hierna: [verweerder],
advocaat: A.H.M. van den Steenhoven,
tegen
1. de ontbonden [de maatschap],
voorheen gevestigd te [vestigingsplaats], hierna: [de maatschap], en
de ontbonden vennootschappen
2. [advocatenkantoor 1] B.V.,
voorheen gevestigd te [vestigingsplaats],
3. [advocatenkantoor 2] B.V.,
voorheen gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTERS in cassatie, eiseressen in het incidentele cassatieberoep,
hierna: [eisers],
advocaat: K. Aantjes.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak 7035472 \ CV EXPL 18-4025 van de kantonrechter te Maastricht van 27 november 2019;
b. het arrest in de zaak 200.276.100/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 oktober 2021.
zaak 22/00253
[eisers] hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot vernietiging en verwijzing.
zaak 22/00272
[verweerder] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[eisers] hebben incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. Daarbij heeft [verweerder] zich in het incidentele beroep alsnog gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt in het principale cassatieberoep tot verwerping en in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing.
De advocaat van [verweerder] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In dit geding gaat het om het volgende. [de maatschap] heeft in opdracht van [verweerder] gerechtelijke procedures gevoerd. [verweerder] vordert in dit geding terugbetaling van het honorarium dat hij in verband met die werkzaamheden aan [de maatschap] heeft betaald. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen, op de grond dat gesteld noch gebleken is dat [verweerder] de overeenkomst van opdracht heeft ontbonden.
2.2
Het hof [1] heeft de vordering gedeeltelijk toegewezen, te weten voor zover het gaat om het honorarium met betrekking tot het hoger beroep in een kortgedingprocedure. Het heeft [eisers] hoofdelijk veroordeeld om aan [verweerder] € 5.677,54 in hoofdsom (terug) te betalen. Het hof overwoog daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende.
[verweerder] heeft in hoger beroep alsnog op de voet van art. 6:267 lid 1 BW Pro de buitengerechtelijke ontbinding ingeroepen van de overeenkomst van opdracht. (rov. 3.11.2)
Voor zover de opdracht ziet op het instellen van hoger beroep van het kortgedingvonnis hebben [eisers] betoogd dat het recht van [verweerder] op ontbinding van de overeenkomst van opdracht is verjaard. Het hof neemt aan dat de verjaringstermijn is gaan lopen op de dag na 8 november 2011. [verweerder] heeft in zijn akte aangevoerd dat de verjaringstermijn is gestuit door de brief van 23 februari 2016. (rov. 3.12.1-3.12.3)
[eisers] hebben dat in hun antwoordakte niet betwist, zodat het beroep op verjaring wordt verworpen. (rov. 3.12.4)
Tussen partijen staat vast dat het niet tijdig betalen van het griffierecht als een tekortkoming van [de maatschap] moet worden bestempeld. De ontbinding is rechtsgeldig en verplicht [eisers] tot terugbetaling van het door [de maatschap] van [verweerder] ontvangen honorarium. (rov. 3.12.5-3.12.10)

3.Beoordeling van de middelen in de zaken 22/00253 en 22/00272

in de zaak 22/00253

3.1.1
Het middel keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 3.12.4 van zijn arrest, en voortbouwend daarop ook tegen het oordeel in rov. 3.12.5-3.12.10 daarvan. Het middel klaagt dat het hof niet als onweersproken had mogen aannemen dat [verweerder] de verjaring heeft gestuit, omdat [eisers] in de procedure geen gelegenheid hadden gekregen om op de ingeroepen stuiting te reageren.
3.1.2
Deze klacht is gegrond. Blijkens het door [eisers] overgelegde afschrift van het roljournaal hebben beide partijen, na memoriewisseling, op de rolzitting van 10 november 2020 een akte genomen. Vervolgens heeft het hof eindarrest gewezen. Met zijn oordeel dat de door [verweerder] met zijn akte ingeroepen stuiting niet is betwist en daarom vaststond, heeft het hof miskend dat [eisers] met hun akte van dezelfde roldatum geen gelegenheid hadden om op die ingeroepen stuiting te reageren, en die gelegenheid ook nadien niet hebben gekregen.
3.1.3
Nu [verweerder] deze met succes bestreden beslissing niet heeft uitgelokt of verdedigd, zullen de kosten van het geding in cassatie worden gereserveerd.
in de zaak 22/00272
3.2
De klachten van het middel in het principale beroep kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).
3.3
Het middel in het incidentele beroep behelst geen andere klacht dan die van het middel in de zaak met nummer 22/00253, en behoeft daarom geen behandeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
in de zaak 22/00253
- vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 26 oktober 2021;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;
- reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak;
- begroot deze kosten tot op de uitspraak in cassatie aan de zijde van [eisers] op € 982,03 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, en aan de zijde van [verweerder] op nihil;
in de zaak 22/00272
- verwerpt het principale beroep;
- veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op € 857,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.E. du Perron en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op
9 juni 2023.

Voetnoten

1.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 oktober 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3248.