Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
gelijktijdigis genomen met de akte waarin het beroep op stuiting was gedaan, ten onrechte voor een antwoordakte aangezien.
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
onder 1.1twee rechtsklachten.
onder 1.1heeft het hof miskend dat uit het arrest
Belastingadvies Malta-routevan 9 oktober 2020 [6] volgt dat onder omstandigheden een benadeelde pas kan worden geacht voldoende zekerheid te hebben dat hij schade heeft geleden als gevolg van tekortschieten van de betrokken persoon, wanneer hij kennis heeft gekregen van een juridisch advies of een rechterlijk oordeel. Volgens [eiser] behoeft een in eerste aanleg gewezen rechterlijke uitspraak niet (zonder meer) tot gevolg te hebben dat van voldoende zekerheid sprake is, omdat die zekerheid onder omstandigheden ook pas kan ontstaan met de beoordeling van die rechterlijke uitspraak door een hogere rechter. De tweede klacht van het subonderdeel voert aan dat ’s hofs beslissing getuigt van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof heeft geoordeeld dat met een beslissing in eerste aanleg steeds sprake is van voldoende zekerheid als bedoeld in art. 3:311 lid 1 BW Pro.
Belastingadvies Malta-routemet betrekking tot de korte, subjectieve verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro geldt, dit mutatis mutandis ook doet wat betreft de korte, subjectieve verjaringstermijn van art. 3:311 lid 1 BW Pro. Dat uitgangspunt deel ik. Niet alleen formuleren beide bepalingen het beginpunt van de respectieve verjaringstermijnen voor schadevergoeding en ontbinding op zeer vergelijkbare wijze, het was ook de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever dat voor de vordering tot schadevergoeding en die tot ontbinding dezelfde termijnen zouden gelden, zodat alle gevolgen van de niet-nakoming van een overeenkomst in beginsel gelijk worden behandeld. [7]
Belastingadvies Malta-route.Ik citeer de kernoverweging van dat arrest:
Belastingadvies Malta-routeook voor de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro geldt, namelijk dat van de juridische beoordeling van feiten en omstandigheden niet mag worden geabstraheerd voor zover het betreft de kennis en het inzicht die nodig zijn om de deugdelijkheid van een geleverde prestatie te beoordelen. Volgens art. 3:311 lid 1 BW Pro is beginpunt van de verjaringstermijn immers de dag, volgende op die waarop de schuldeiser
met de tekortkomingbekend is geworden. Zulke bekendheid, die zoals gezegd een daadwerkelijke bekendheid is, veronderstelt de bedoelde kennis en het bedoelde inzicht vanzelfsprekend.
Belastingadvies Malta-routeeen stap van bekendheid met schade en de aansprakelijke persoon naar bekendheid met tekortschietend of foutief handelen als oorzaak van de schade. Een zodanige stap is bij art. 3:311 lid 1 BW Pro niet nodig. Daarom zei ik dat voor de in die bepaling opgenomen korte verjaringstermijn ‘meer rechtstreeks’ geldt wat voor die van art. 3:310 lid 1 BW Pro ook geldt. (De oplettende lezer merkt in de combinatie van de door de wetgever beoogde gelijke behandeling van de verjaring van rechtsvorderingen tot schadevergoeding respectievelijk ontbinding (hiervoor 3.5) en van wat zojuist is gezegd over wat rechtstreeks uit art. 3:311 lid 1 BW Pro volgt, een (extra) argument op voor de leer zoals in het arrest
Belastingadvies Malta-routedoor uw Raad met betrekking tot art. 3:310 lid 1 BW Pro is aanvaard.)
steedsvoldoende zekerheid oplevert dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst. Naar in het oordeel van het hof besloten ligt, hangt het antwoord op de vraag of een beslissing in eerste aanleg voldoende is af van de omstandigheden van het geval, waaronder de inhoud van die beslissing in eerste aanleg. In het bijzonder lijkt van belang of in die beslissing een
directeaanwijzing voor de tekortkoming besloten ligt, dan wel slechts indirecte aanwijzingen. Daarnaast zijn ook mededelingen van de wederpartij naar aanleiding van die beslissing en overige omstandigheden die het door de schuldeiser in de wederpartij redelijkerwijs te stellen vertrouwen betreffen, van betekenis.
onder omstandighedenmogelijk is dat voldoende zekerheid pas ontstaat op het moment dat door een hogere rechter is geoordeeld. (Met de steller van het middel houd ik dit inderdaad voor mogelijk, ook al zal een beslissing in eerste aanleg die een
directeaanwijzing voor een tekortkoming inhoudt, mijns inziens spoedig voldoende kunnen zijn.)
onder 1.2van het onderdeel slagen niet. Dat naar het oordeel van [eiser] ’ (andere) advocaat en van [de maatschap] een tegen het vonnis van 17 juli 2013 eventueel in te stellen rechtsmiddel niet kansloos was, maakt het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, omdat voldoende zekerheid over tekortschietend handelen volstaat en absolute zekerheid niet vereist is. Dat [de maatschap] de tekortkoming betwistte maakt ’s hofs oordeel evenmin onbegrijpelijk. In dat verband is
medevan belang dat de relatie tussen [eiser] en [de maatschap] na het vonnis van 17 juli 2013 was verbroken (en [eiser] en [de maatschap] zich dus niet langer als cliënt en behandelend advocaat tot elkaar verhielden). Uiteraard is ook de inhoud van het vonnis van 17 juli 2013 van belang. Volgens dat vonnis was [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot herroeping vanwege het laten verlopen van de voor dat rechtsmiddel geldende termijn van art. 383 Rv Pro van drie maanden. Dat leverde voor [eiser] een
rechtstreekseaanwijzing op dat zijn advocaat was tekortgeschoten (vergelijk de vierde volzin van rechtsoverweging 3.13.4 van het arrest van het hof). Mijns inziens is het oordeel van het hof dat [eiser] vanaf 17 juli 2013 voldoende zekerheid had dat [de maatschap] was tekortgeschoten niet alleen niet onbegrijpelijk maar juist
alleszins begrijpelijk.
onderdeel 2komt [eiser] op tegen het oordeel van het hof dat [eiser] zich met betrekking tot de verjaring van de vordering tot ontbinding van de overeenkomst van opdracht in verband met de herroeping niet op een stuitingsgrond heeft beroepen. Het onderdeel verwijst naar rechtsoverweging 3.12.2, maar dit zal een verschrijving zijn, want het desbetreffende oordeel lees ik in het arrest onder 3.13.2:
tekortkoming Ade verjaring stuitte) niet mede als stuitingshandeling heeft aangemerkt ten aanzien van de verjaring met betrekking tot
tekortkoming B.
tekortkoming A(die ziet op het te laat betalen van griffierecht in het hoger beroep tegen het kortgedingvonnis) op de brief van 23 februari 2016 beriep, en niet ook in het verband van
tekortkoming B(die ziet op het niet tijdig instellen van de vordering tot herroeping). Op die feitelijke grondslag had het hof de zaak dus te onderzoeken (art. 24 Rv Pro).
zelfstandigtot de conclusie had moeten komen dat ook met betrekking tot tekortkoming B de verjaring was gestuit, de steller van het middel zich vergist. En dit niet zozeer omdat, zoals de steller van het middel erkent, de brief van 23 februari 2016 niet was overgelegd (met als gevolg dat het hof niet daadwerkelijk tot een zelfstandige lezing van die brief in staat was). Nee, het is in verband met het verbod van aanvulling van feitelijke gronden nog anders. Het hof mocht zijn beslissing niet baseren op een feitelijke grond die weliswaar mogelijk zou kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die wat betreft tekortkoming B door [eiser] niet aan zijn tegenweer tegen het verjaringsverweer van [verweerster] [16]
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidenteel beroep
antwoordakte, omdat partijen hun akten
gelijktijdighebben genomen en [verweerster] dus niet op de akte van [eiser] heeft gereageerd of dat heeft kunnen doen. Vervolgens klaagt het onderdeel onder verwijzing naar vaste jurisprudentie nader dat het hof heeft miskend dat de omstandigheid dat een partij niet meer op een memorie (of akte) heeft kunnen reageren tot gevolg heeft dat hetgeen in dat processtuk is opgemerkt niet als onweersproken mag worden aangemerkt.
gelijktijdigeen akte genomen.
Belastingadvies Malta-route. [18] Mogelijk heeft die omstandigheid het hof op het verkeerde been gezet en heeft het verondersteld dat [verweerster] dat arrest besprak omdat [eiser] zich daarop in zijn akte beriep en dat [verweerster] dus van de inhoud van die akte kennis had genomen – hetzij dat het hof heeft gemeend dat de akten
nietgelijktijdig waren genomen, hetzij dat door [eiser] aan [verweerster] vooraf inzage in zijn akte was gegund [19] –
met inbegrip vanhet beroep op de stuitende werking van de brief van 23 februari 2016. Voor die veronderstelling bestond echter geen grond. De reden dat partijen bedoeld arrest beiden bespraken, zal eenvoudig zijn dat hun advocaten onafhankelijk van elkaar onderkenden dat de inhoud van het na de memorie van antwoord op 9 oktober 2020 gewezen arrest
Belastingadvies Malta-routepotentieel voor de afdoening van de zaak van belang was.
onderdeel IIervan uit dat rechtsoverwegingen 3.12.5 tot en met 3.12.10 voortbouwen op het oordeel dat met betrekking tot tekortkoming A de verjaring is gestuit.