ECLI:NL:HR:2023:948
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt discretionair karakter van vermogen in Liechtensteinse stichting en toerekening aan mede-inbrenger
Belanghebbende stelde cassatie in tegen het oordeel van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat het vermogen in een Liechtensteinse stichting (Stiftung) discretionair is en dat de moeder als mede-inbrenger voor de helft van het vermogen in de stichting moet worden toegerekend.
De stichting was opgericht door de ouders van belanghebbende, die bij oprichting potentiële begunstigden en de omvang van de verkrijging bepaalden, maar zonder afdwingbare rechten voor de begunstigden. De moeder en vader brachten gezamenlijk vermogen in de stichting in. Het hof oordeelde dat het vermogen discretionair was omdat begunstigden geen afdwingbare rechten hadden en dat de moeder mede-inbrenger was.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp de middelen van belanghebbende. De Hoge Raad benadrukte dat de wetgever met artikel 2.14a Wet IB 2001 wilde voorkomen dat vermogen fiscaal zou gaan zweven en dat toerekening niet beperkt is tot degene die bestuursbevoegd is over het vermogen. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het hofarrest blijft in stand.