Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
3.Beslissing
9 juli 2024.
Hoge Raad
In deze strafzaak tegen de verdachte, die werd veroordeeld voor medeplegen van gekwalificeerde doodslag, stond de vraag centraal wanneer de redelijke termijn voor berechting aanvangt volgens artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Het hof had het begin van de redelijke termijn gelegd op 2 mei 2018, toen de verdachte opnieuw in voorlopige hechtenis werd genomen. De Hoge Raad oordeelde dat dit onjuist was omdat de redelijke termijn al begon op 9 juni 2015, de datum van de eerste inverzekeringstelling.
Het hof had de periode tussen de eerste inverzekeringstelling en de latere voorlopige hechtenis grotendeels buiten beschouwing gelaten, terwijl dit volgens de Hoge Raad niet juist is. De voorlopige hechtenis was op 18 september 2015 opgeheven, maar dit verschuift het aanvangsmoment van de redelijke termijn niet. Wel kan het verloop en de duur van de voorlopige hechtenis relevant zijn voor de beoordeling van de redelijkheid van de totale duur van de procedure.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verminderde de opgelegde gevangenisstraf van 17 jaar met 6 maanden wegens de overschrijding van de redelijke termijn. Het beroep van de verdachte werd voor het overige verworpen. Hiermee bevestigde de Hoge Raad het belang van correcte toepassing van het aanvangsmoment van de redelijke termijn in strafprocedures.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van 17 jaar naar 16 jaar en 6 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.