Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek om vergoeding van immateriële schade en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2.Uitgangspunten in cassatie
3.De oordelen van het Hof
4.Beoordeling van het middel
Het middel voert verder aan dat de bij belanghebbende werkzame artsen zich op grond van hun medische beoordeling als hiervoor bedoeld op het standpunt stellen dat besnijdenissen, ook indien deze worden verricht zonder aanwijsbare medische aanleiding maar met een religieuze en/of culturele en/of hygiënische aanleiding, een therapeutisch-preventief doel dienen en daarom gezondheidskundige verzorging van de mens betreffen. De inspecteur en de rechter mogen bij de beantwoording van de vraag of de medische vrijstelling in dit opzicht terecht is toegepast, het standpunt van de arts slechts marginaal toetsen, omdat de inspecteur en de rechter een inhoudelijk oordeel op medisch vlak niet toekomt. Daarbij is het uitgangspunt, aldus nog steeds het middel, dat slechts in evidente gevallen geen plaats is voor toepassing van de vrijstelling.
Zoals het Hof terecht tot uitgangspunt heeft genomen, zijn op grond van artikel 11, lid 1, aanhef en letter g, onder 1°, aanhef en letter a, van de Wet niet alle (be)handelingen die in het kader van de uitoefening van medische en paramedische beroepen worden verricht, van omzetbelasting vrijgesteld, maar uitsluitend (be)handelingen die als gezondheidskundige verzorging (in termen van BTW-richtlijn 2006: medische verzorging) van de mens kunnen worden aangemerkt. Bij de beantwoording van de vraag of een door een medicus of paramedicus in de uitoefening van zijn beroep verrichte (be)handeling gezondheidskundige verzorging vormt, is het doel van die (be)handeling doorslaggevend. Dat doel moet volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie therapeutisch zijn. [3]
Het is voor de heffing van omzetbelasting buiten redelijke twijfel dat, wanneer de inspecteur betwist dat een bepaalde (be)handeling of ingreep die zonder medische indicatie wordt verricht, in het algemeen een preventieve werking heeft als hiervoor in 4.4.3 bedoeld, het aan de rechter is om te beoordelen of de desbetreffende (be)handeling of ingreep in het algemeen niet een zodanig preventief doel dient. Ook dan rust op de belanghebbende de last te onderbouwen dat de betrokken (be)handeling in het algemeen wel een zodanig preventief doel dient.Bij de beoordeling of de desbetreffende (be)handeling of ingreep inderdaad in het algemeen niet een zodanig preventief doel dient, geldt de vrije bewijsleer.